De behoefte aan geborgenheid

In mijn ogen is de vrije wil of een pleonasme of een interne tegenspraak. Het eerste als je vrijheid naïef omschrijft, het tweede als je vrijheid uit ervaring omschrijft. Eerst de naïeve omschrijving van vrijheid, waarbij vrijheid gezien wordt als ongebonden zijn. Een wil veronderstelt dat het zich ergens tegen af moet zetten. Dat het ruimte schept voor zichzelf en dat het zichzelf bevrijdt van gevoelde banden. 'Ik wil …' is een uiting van en voor een dergelijke vrijheid. Als je niets te willen hebt, is er geen vrijheid. Zodra je iets wil, wil je ook direct die vrijheid hebben het te doen. Zeggen dat je iets wil, is zeggen dat je geen tegenstand wilt ervaren. Dat je ongebonden wilt zijn.
Het is in mijn ogen naïef om zo over vrijheid te denken, omdat dat absoluut niet de vrijheid is, zoals men zich die werkelijk toewenst. Dat is namelijk een zijn in absolute eenzaamheid. Wie totaal ongebonden is, wordt gek. Mensen zijn sociale wezens en we hebben elkaar nodig. Wie zich lang aan die ongebondenheid vast wil houden heeft angst en durft dat veilige baken van angst niet los te laten.
Vrijheid uit ervaring is hieraan tegenovergesteld, want het bestaat uit jezelf verbinden (met mensen waar je van houdt). Ik noem dat vrijheid uit ervaring, omdat mensen dat doen wanneer ze vrij zijn. Ze keren naar hun huis terug. Als kind ga je naar je ouders terug, als puber naar je vrienden, als volwassene naar je geliefde of gezin of je eigen huis. In alle gevallen ga je naar waar je je het meeste thuis voelt. Daar ben je vrij. Vanuit deze vrijheid is het poneren van vrije wil een interne tegenspraak. Daar waar je jezelf kan zijn, daar waar je kan zijn zoals je bent, daar waar je thuis bent, daar heb je geen vrije wil nodig. Daar past niet het je afzetten tegenover je omgeving. Daar past het niet om je als ongebonden te poneren. Het is niet nodig, daar kan je stromen. Het vereist eerder wilskracht om daar vandaan te gaan.

Zelf vind ik de wil in wezen een onnatuurlijk begrip. Wel heel logisch om te vooronderstellen, maar het is zo eenzijdig. In het uiterste geval is willen zenden zonder te luisteren. Doordat willen een beweging is, die naar buiten drukt, heeft het tot gevolg dat je niets meer binnenkrijgt. Als je gericht bent om je eigen wil in de wereld te zetten, zal je daardoor steeds geneigd zijn hetzelfde deuntje af te spelen en jezelf ongewild af te schermen voor nieuwe ervaringen. Meer willen is daarom mijn inziens de armoede van meer van hetzelfde.
Tegelijkertijd is het een heel praktisch en handzaam begrip. Ik gebruik het zelf ook en voel het zelf ook. Ik wil ook mijzelf in de wereld zetten, mijzelf manifesteren, bepaalde zaken doen, andere zaken wil ik niet doen. Desalniettemin beschouw ik de wil als een zinloze beperking. In de taal is het een snelle uitdrukking, makkelijk door iedereen te begrijpen en daarom erg praktisch. Maar als gevoel is het de grootste rem op de ervaring van het leven. Als je je eigen leven middelmatig, voorspelbaar, overzichtelijk, saai en contactloos wil maken, moet je je vooral richten op het totstandbrengen van je eigen wil.

Wat je volgens mij eigenlijk wil, als je je wil uitspreekt, is het kenbaar maken van je behoefte. Voor dat laatste heb je echter een toegevende luisteraar nodig. Het uiten van een behoefte maakt je kwetsbaar, want het kan afgewezen worden. Met daarentegen het uitspreken van je wil kan je de aanhoorder dwingen of aanzetten tot het worden van een toegevende luisteraar of zelf de ruimte nemen. Zodat voldaan wordt aan je behoefte.
'Ik wil ...' komt sterk over, 'ik behoef ...' daarentegen ronduit zwak. Terwijl het daarom gaat. Er is ook een verschil in beweging. Bij het uitspreken van de wil is er een uittredende beweging de gevaarlijke wereld in. Bij het uitspreken van behoefte is er een openende beweging, waarbij de wereld binnen kan komen. Een behoefte kan genegeerd worden, terwijl aan een wil eerder gehoorzaamd moet worden. Met het aangeven van een behoefte wordt de ander de gelegenheid en ruimte geboden daar op zijn manier op te antwoorden, waar het bij de wil wordt aangegeven. Zo wil ik het en niet anders.
Het wordt ons daarom ook zo geleerd. Het is praktisch om je behoeftes op die manier te regelen. Andere mensen hoeven dan ook niet zo na te denken, ze kunnen je een plezier doen door te doen wat je wilt. Maar je verlangens worden door een passieve partij voldaan. En het zou niet gebeuren, als je de ander niet overstemd had door je wil. De andere partij moet of uit zichzelf bereid zijn om mee te werken of je moet het door afspraken of wat dan ook afdwingen. Bij het verzorgen van je behoeftes door je wil uit te spreken treedt je naar buiten, de wereld in om deze gecontroleerd te begeleiden naar je interne behoefte. Maar is het niet veel mooier, en eigenlijk sterker, om dat echt te krijgen? Is dat niet het allerbevredigendste, als de ander het je geeft? Als die ander zich over jouw behoefte ontfermt en zo naar je toekomt? Als je je open kan stellen naar die ander en onvoorwaardelijk accepteert wat je krijgt? Toegegeven, het is eng, je verliest de controle en stelt je kwetsbaar op, maar als je iets terugkrijgt, krijg je tegelijkertijd dat terug, dat je het liefst van al hebt en waarom het allemaal begonnen is: de behoefte aan geborgenheid.