Geen beter argument dan een slecht argument.

Bij het bespreken van Augustinus' Belijdenissen gebruikte ik het argument dat het boek reeds meer dan 1500 jaren oud is en derhalve zijn waarde heeft bewezen. Na het lezen van dit boek, Cicero's 'Het Bestaan van de Goden', vind dat ik geen goed argument meer. Gelukkig maar, want het is een argument dat niet gaat over de inhoud van het boek, maar over een toevallige eigenschap, die niet bij het boek hoort.
Ik ben echt verbaasd over de kwaliteit van dit boek. Waarom heeft iemand dit boek ooit goed gevonden? Wat is de waarde van dit boek in het huidige tijdsgewricht?

Vertrouwen verloren

Ik heb dit boek in het volste vertrouwen gekocht met bovenstaand argument in gedachten. In de Oudheid kon men redeneren. Onzinnige argumenten werden afgeserveerd. Hard. Dus verwachtte ik, dat ik in dit boek goede argumenten tegen zou komen, waardoor ik zou kunnen gaan begrijpen waarom zovele culturen tot het polytheïsme kwamen.
Dat is een oude vraag van mij: hoe kan het dat het polytheïsme zo wijdverspreid voorkomt? Waarom geloven mensen in vele goden? Het aantal polytheïstische geloven is veel groter dan het aantal monotheïstische geloven. Het komt wel voor dat mensen binnen een polytheïstische godsdienst zich vooral tot één god richten. In de Griekse en Romeinse tijd was de verering van Dionysos heel populair. In Rome was er een verering van Isis en in 'Overpeinzingen' van Marcus Aurelius wordt er probleemloos gesproken over één God en op andere momenten over vele goden. Maar door de bank genomen komen polytheïstische geloven veel meer voor. Hoe kan dat? Zou dit boek daar licht op gaan schijnen? Zou ik een antwoord krijgen op de vraag hoe het is om te geloven in meerdere goden?

Niets van dat al. Ik vond het boek een verbazingwekkende verzameling schaamteloos slechte argumenten. Een aantal voorbeelden:

”Als enige (=Epicurus) heeft hij namelijk ingezien, ten eerste, dat de goden bestaan om dat de natuur zelf in ieders geest een concept van hen heeft aangebracht. Welk volk of welk soort mensen heeft van de goden, los van culturele invloeden, niet een bepaald 'voorbegrip'?”, pag. 36.

Tja, als we zo redeneren, dan bestaan tijdmachines en eenhoorns ook, buiten dat er veel mensen zijn die niet in god of goden geloven en waarbij dat voorbegrip schijnt/blijkt te ontbreken.

”Het wezen dat door zijn gelukzaligheid of onvergankelijkheid het hoogst verheven is moet welhaast ook het allermooiste zijn. Maar welke ordening van ledematen, welk geheel van vormen, welke gedaante of welke gestalte kan mooier zijn dan die van een mens?”, pag. 37-38.

Krekels zullen het hier faliekant mee oneens zijn. Olifanten ook, maar weer voor andere redenen.

”Jullie vragen ons zo vaak, Balbus, wat voor leven die goden hebben en hoe ze hun tijd doorbrengen. Welnu, een god leidt natuurlijk het allergelukzaligst, allermeest van goede dingen voorziene leven dat men zich maar kan indenken. Hij doet namelijk helemaal niets, en is in geen enkele bezigheid verwikkeld. Hij verricht ook helemaal geen moeilijke werken, maar schept welbehagen in zijn eigen wijsheid en deugd, en weet met absolute zekerheid dat hij altijd de grootste en eeuwigdurende genietingen zal ervaren.”, pag. 39.

Als goden een menselijk lichaam hebben, is het heel fijn om er iets mee te doen. Daartoe is het lichaam ontworpen. Om enerzijds een perfect lichaam te hebben en er anderzijds niets mee te doen? Onvoorstelbaar. Tevens is het moeilijk voorstelbaar waar een deugdzaam leven uit bestaat, als men niets anders doet dan eeuwigdurende genietingen ervaren.

”De wereld is beslist het hoogste. Het lijdt geen twijfel dat wat levend is en bewustzijn, rede en intelligentie heeft, hoger is dan wat deze dingen mist. Dat betekent dus dat de wereld levend is en bewustzijn, intelligentie en rede bezit. Deze redenering levert de conclusie op dat de wereld god is.”, pag. 84.

Dat naast mensen bijvoorbeeld dolfijnen en olifanten leven, bewustzijn en intelligentie hebben, wil niet zeggen dat wat hen allen omvat dat eveneens heeft en ook niet dat wat iets omvat tevens alle eigenschappen heeft van dat wat het omvat. Zou dat het geval zijn, dan is de huid intelligenter dan de hersenen daar de huid de hersenen omvat en denken wij dus vooral met onze huid. Onze bloedsomloop is dan tevens afhankelijk van onze huid etc.

”Het ene, het hele rijk der zeeën, werd aan Neptunus toegeschreven, de broer van Jupiter, naar men zegt. Zijn naam Neptunus stamt van nare[zwemmen], net als Portunus van portus[haven], met wat lichte wijzigingen in de eerste letters.”, pag. 84.

Dit is amateuristische etymologie ten top. De naam Neptunus en nare hebben welgeteld één letter gemeen. Dat is doorgaans niet voldoende to put it mildly. En om de naam van de god van het rijk der zeeën met zwemmen te verbinden is zo arbitrair. Waarom zou zwemmen beter zijn dan bijvoorbeeld geboren worden (nati sunt) of wolken (nebula)? Er worden meer van dit soort etymologische herleidingen ter argumentatie aangevoerd, maar ik zal deze uit piëteit hier niet herhalen.

”Op dit punt zou iemand kunnen vragen waarvoor deze hele operatie op touw is gezet. Voor de bomen en planten, die wel deel uitmaken van de natuur maar geen bewustzijn hebben? Dat is in ieder geval absurd. Voor de beesten? Het is in geen geval aannemelijker dat de goden zich zoveel moeite zouden getroosten voor wezens die niets kunnen zeggen of begrijpen. Voor wie zou je dan zeggen dat de wereld gemaakt is? Voor die wezens natuurlijk die rede hebben, dat wil zeggen: goden en mensen. Zij zijn absoluut het hoogste wat er is, want de rede overtreft alles. Zo wordt het aannemelijk dat de wereld met alles wat zich erin bevindt, gemaakt is voor de goden en de mensen.”, pag. 120.

Als je een vraag stelt, moet je nog altijd in overweging houden dat de vraag misschien kant noch wal raakt. Dat gebeurt hier niet. Het denken in een hiërarchie en daarbij zichzelf het hoogste plaatsen gebeurt volkomen automatisch en levert het antwoord. Antropocentrischer kan je het niet krijgen. Ik blijf erbij dat krekels en olifanten zich niet in deze redenatie kunnen herkennen en op basis van eigen argumenten zichzelf op de hoogste plaats in de hiërarchie terug zullen kunnen vinden.

Vertrouwen hersteld

Toch is het boek beter opgebouwd dan tijdens het lezen lijkt. In de eerste redevoering laat Cicero de spreker vele zienswijzen van andere filosofen afserveren. Dat geeft hem de ruimte om meer te bespreken dan enkel de gedachtengangen van de twee hoofdstromingen, zijnde het Epicurisme en het Stoïcisme. Deze weerleggingen worden later niet weerlegd, derhalve impliciet aanvaard. In de tweede redevoering waarom de goden bestaan komt de denkwijze van het Stoïcisme aan bod. Deze denkwijze vertegenwoordigt hoe veel Romeinen denken en Cicero sluit zich aan het einde van het boek het meest aan bij deze denkwijze, zelfs als deze door een derde spreker volledig de grond in wordt geboord. Dat was maatschappelijk wel zo veilig, zoals door de derde spreker duidelijk werd gemaakt:

”En dan was er Protagoras van Abdera, van wie je daarnet gewat maakte. Deze man, destijds de grootste sofist, had aan het begin van zijn boek geschreven:'Van de goden kan ik niet zeggen dat ze bestaan of dat ze niet bestaan.' Daarom werd hij op bevel van de Atheners uit de stad en het land verbannen, en werden zijn boeken in het openbaar verbrand. Ik neem aan dat de meeste mensen hierdoor niet meer zo gauw deze mening zullen uiten, want zelfs twijfel aan de goden bleek niet ongestraft te kunnen blijven.”, pag. 43.

Deze derde spreker, Cotta, een vertegenwoordiger van de Academie, dat is de leerschool van Plato (en Socrates), krijgt na elke redevoering de ruimte om beide gedachtengangen compleet af te kraken. Deze spreker zelf is boven elke twijfel verheven gelovig, daar hij een hogepriester in de Romeinse godsdienst is, en hij niet nalaat te herhalen dat hij wel in de goden gelooft, maar zich niet kan vinden in de argumenten van de andere redenaars. Wat zijn eigen argumenten zijn, blijft buiten beschouwing. Wanneer Cotta spreekt, zijn de argumenten weer ouderwets goed. De enige conclusie die na het lezen van dit boek getrokken kan worden, is dat op basis van deze argumentaties goden een door de mens verzonnen concept is. Maar nergens staat het in het boek zo beschreven en niemand zou een van de personages of de schrijver hiervan kunnen beschuldigen.
In die zin is het een mooi en goed opgezet boek. Hoe een onderwerp te bespreken waarbij de geuite mening persoonlijk gevaarlijk kan zijn en ermee weg te komen? Door zichzelf als toehoorder bij een gesprek te situeren en de kritiek door een hogepriester uit te laten spreken en aan het einde zichzelf aan te sluiten bij de visie van de stoïcijnen – niet bij de kritiek van de hogepriester.

Onbeslist

Het heeft geen zin om de inhoud van dit boek buiten dit boek te gebruiken. Al deze argumenten zijn niet in staat om het bestaan van de goden te bewijzen, maar evenmin kunnen ze gebruikt worden om aan te tonen dat goden niet bestaan. Het type bewijsvoering matcht niet het type bewijs dat nodig is om het bewijs rond te krijgen. Het is eveneens ondoenlijk gebleken te bewijzen dat God bestaat, evenals het voor atheïsten ondoenlijk is (om op basis van de argumenten in dit boek) te bewijzen dat God of de goden niet bestaan. Er is geen andere vorm van bewijs voor het bestaan van iets dan dat het bestaan op een of andere manier aantoonbaar waargenomen kan worden. Je kan met geen enkele redenatie aantonen dat iets bestaat of niet. Zie het volgende godsbewijs:
Al is elk godsbewijs weerlegd, evenzo heeft elke atheïst het logische probleem dat om te bewijzen dat God niet bestaat, hij er eerst vanuit moet gaan dat God bestaat. Anders hoef je niet te bewijzen dat hij niet bestaat. Impliciet vinden atheïsten het bestaan van god zo reëel, dat zij zich geroepen voelen dit te bestrijden. Daarentegen zijn er geen mensen die zich atijdmachine of a-eenhoorns noemen. Blijkbaar is het veel realistischer om zich af te zetten tegen het bestaan van een god dan van een tijdmachine of eenhoorns. Als er derhalve één indirect bewijs voor een god is, dan is het wel dat er mensen zijn die er prat op gaan iemand te zijn die kan bewijzen dat er geen god bestaat.
Dit is uiteraard geen direct godsbewijs. Voorzover bekend is er geen direct godsbewijs dat wetenschappelijk/intermenselijk is. Er zijn mensen die zeggen de ervaring God of een godheid ontmoet te hebben. Er zijn waarschijnlijk veel meer mensen die zeggen deze ervaring niet hebben. In beide groepen mensen kunnen mensen zijn wiens ervaringen tegenovergesteld waren aan wat ze beweerden. Het is allemaal zo oncontroleerbaar als het maar zijn kan en zolang dat blijft, blijven redenaties speculaties en getuigenissen persoonlijke verhalen en de zaak voor het merendeel van de mensen onbeslist.