De paradox van Descartes

Descartes is de filosoof, die het subject pontificaal op de voorgrond zette en daarmee radicaal brak met de filosofen uit de middeleeuwen. Met zijn 'dubio, cogito, ergo sum' (ik twijfel, dus ik denk, dus ik ben) maakte hij de weg vrij om de wereld vanuit het 'ik' te aanschouwen. Veel filosofen hebben hierna geschreven over deze verhouding tussen subject en object, het ik en de ander, de waarneming vanuit het perspectief van het lichaam, het zijn en niet-zijn van objecten, het relativisme etc..Uiteindelijk komt het er altijd op neer, dat er een onoverbrugbaarheid aanwezig is. Hetzij in de vorm van

  • het niet kunnen begrijpen van elkaar,
  • het niet kunnen zien van het gehele object, daar er altijd een perspectief zal zijn,
  • geen enkele waarheid met zekerheid kunnen kennen, daar er geen objectief intrinsiek onderscheid gemaakt kan worden tussen twee stellingen,
  • tot het niet zeker kunnen weten dat er iets buiten het 'ik' bestaat aan toe.

Dat is inherent aan het uitwerken van een filosofie, die zich in eerste instantie baseert op het 'ik'. Het 'ik' is een uitgangspunt, dat wezenlijk relatief ten opzichte van de omgeving staat. Werkelijk iedereen gebruikt 'ik' voor zichzelf. Dat beperkt deze kijkwijze sterk. Je zal altijd begrensd worden door het perspectief. Descartes kon dan gaan twijfelen en daardoor tot een stelling komen, die heel absoluut leek, om die stelling te verwoorden, gebruikte hij een term, die deze absoluutheid niet heeft. Het is een paradox om te zeggen dat de basis van de wereldaanschouwing is 'ik ben'.

Uiteraard heeft deze uitspraak een hoge acceptatiefactor, want iedereen zal deze uitspraak persoon voor persoon vanuit het eigen perspectief erkennen. 'Ja, ik ben'. 'Ik' kan je echter niet vaststellen zonder een ander vastgesteld te hebben. Het 'ik' kan pas bepaald worden, nadat het zich onderscheiden weet van de rest. Voordat het 'ik' er is, is er het geheel, waar het 'ik' een onderdeel van blijkt te zijn. Met andere woorden, het gebruik van 'ik' houdt al een perspectief en onderscheid in. Zonder dat geen 'ik'. Je moet voldoende bewustzijn hebben om de 'ik'-ervaring te kunnen hebben. Descartes had voldoende zelfbewustzijn om te kunnen twijfelen aan de rest. Stel, dat je de zin van Descartes zonder perspectief schrijft:
er is twijfel, er is denken, er is bestaan.
Welke twijfel? Hoezo is er twijfel? Waarover? Dat kan je niet zeggen. Er is geen twijfel, als er geen perspectief is. Twijfel is verbonden met het hebben van een bepaald uitgangspunt. Als je zonder perspectief aanschouwt, dan kan je niet anders aanschouwen dan is, dan is er geen twijfel. Derhalve is het aanschouwen vanuit een perspectief het aanschouwen vanuit een beperking. Als het een beperking is, dan is het daarmee niet zelfverklarend en kan het derhalve niet als basis dienen om de rest op te baseren.

'Ik ben' is daarom een paradox, omdat je eerst moet erkennen, dat de wereld er is, dat je daarbinnen bestaat en jezelf ervan kan onderscheiden, vervolgens je de rest van de wereld ter discussie stelt, waardoor je alleen over blijft, maar dat doe je door een woord te gebruiken, dat persoonlijk is en niet – ingeval er maar een substantie bestaat – op onpersoonlijke wijze uitgedrukt wordt. Niemand gaat 'ik' gebruiken, waarbij men dan denkt dat men alleen op de wereld is. 'Ik' betekent één bepaalde temidden van velen. Als er maar één boom in de omgeving is, dan wordt gesproken over de boom. In een bos wordt gesproken over een boom. Zo is het ook met 'ik'. Wie 'ik' zegt, erkent impliciet dat er meerdere anderen bestaan. 'Ik ben' kan daarom niet als geïsoleerde uitspraak gebruikt worden.
Descartes probeerde met zijn beroemde uitspraak uit te drukken dat de enige zekere basis van het bestaan het 'ik ben' is. Je kan aan de rest twijfelen, maar niet aan jezelf. Wil je de geïsoleerdheid te bestaan zonder weet te hebben van de omgeving nauwkeurig uitdrukken, waardoor een absoluut onpersoonlijk geïndividualiseerd perspectief ontstaat, dan moet 'ik ben' omgezet worden naar 'is'. Als je daarentegen stelt, dat het perspectief juist persoonlijk moet blijven, dat dat de essentie is, dan erken je impliciet al de rest en twijfel je daar niet echt aan. Daarom is de enige mogelijkheid om 'ik ben' als absolute zekere basis van het bestaan zelf niet te gebruiken en zou hij het perspectiefloze 'is' moeten gebruiken. Maar daar kom je niet ver mee in de kroeg.

Een paradox kenmerkt zich door de eigenschap, dat je niet rustig in de uitspraak kan blijven. Dat is onmogelijk bij 'ik ben'. Dat is heel goed mogelijk bij 'is'. Daar is de paradoxaliteit verdwenen, want daar is het perspectief verdwenen. 'Ik' lijkt mij een wezenlijke eigenschap van het mens-zijn. Ik kan mij niet voorstellen dat ik met een volwassen mens te maken heb, die zichzelf niet als 'ik' uit weet te drukken. Het begrip lijkt mij horen bij het wereldbeeld van een sociaal wezen. Solitair levende wezens met een bewustzijn vergelijkbaar met de vrouwelijke zwarte weduwen zullen het 'ik' niet definiëren. Elke filosofie, die zich baseert op het 'ik ben' van Descartes zal deze spanning in zich hebben. Enerzijds de intense ervaring van het bewustzijn vanuit een perspectief, anderzijds een onoverbrugbare eenzaamheid in het bestaan, die groter wordt naarmate men zich meer bewust wordt van het unieke perspectief dat men zelf is. Om met Spinoza te spreken: dit is de kennis van de wanordelijke ervaring.