Echt waar.

In hoofdstuk zeven van Sense and Sensibilia schreef J.L. Austin, een van de grote taalfilosofen van de vorige eeuw, over de vier wijzen van het woord 'real', dat ik hier verder zal vertalen als echt. Al tijdens het lezen dacht ik onwillekeurig aan de vier tegenstellingen, die ik in een eerder schrijven benoemd had en heb getoetst of zij met elkaar overeen kwamen. Tot mijn verrassing zeer goed.
Dit zijn de 4 wijzen waarop Austin het woordje echt ging duiden:

  1. het is een woord dat hongert naar een context,
  2. het is een woord dat zelf niet de broek aan heeft,
  3. het is een dimensie-woord, en
  4. het is een aanpassingswoord.

ad 1.Met een woord dat hongert naar een context bedoelt Austin dat we pas kunnen beoordelen of iets echt is of niet als we weten wat de context van het woord is. Bij de vraag 'is dat een echte kat?' kan het gaan over de vraag of het een levend wezen dan wel een goed gelijkend beeld is, of over de vermeende stekeligheid van een opmerking of over de vraag of een bepaalde katachtige tot de echte katten hoort. Met het verschil in interpretatie van het woord kat, verandert de wijze waarop echt geïnterpreteerd wordt. Er gelden heel andere criteria voor de bepaling van wat echt is bij elke andere interpretatie van het woord kat. Woorden als echt, goed en waar noem ik op basis van deze reden ad hoc-woorden. Je kan pas achteraf de exacte betekenis bepalen.

ad 2. Of iets echt is, kan niet beoordeeld worden op basis van de eigenschap 'echt'-zijn. Dat kan wel met het merendeel van de woorden. Of iets geel is, is vast te stellen onafhankelijk van de echtheid. Natuurlijk kan je van mening verschillen over wat geel is en ooit heb je moeten leren wat geel is, maar dat staat los van de capaciteit om daarna te kunnen bepalen of iets geel is of niet. Dan kan je het ook. Zodra geel een keer gedefiniëerd is, kan het beoordeeld worden. Zo niet voor echt. Elke keer opnieuw zal je vast moeten stellen wat de meetlat is, waarlangs het woord gelegd dient te worden. Met andere woorden, de echtheid zelf ligt niet vast, de echtheid kan pas bepaald worden, nadat alle relevante niet-echtheden niet waar blijken te zijn. Het is de ontkenning van de verzameling relevante niet-echtheden, die bepalen of iets echt is. Zodra aan een van deze niet-echtheden voldaan wordt, is het niet echt meer.
Austin geeft het voorbeeld van de echtheid van de vorm van een kat. Die is niet te bepalen. In welke houding is de vorm van de kat echt? Als die ligt te slapen, klaar staat voor de sprong, met opgezette haren in de winter, of net na een onvrijwillig bad met een kletsnatte vacht? De echtheid van de vorm van de kat is niet vast te leggen. Terwijl na het vaststellen van de definitie van geel wel eenduidig te bepalen is of een deur of een auto geel is of niet.

ad 3.Met een dimensie-woord bedoelt Austin, dat het woord echt ten grondslag ligt aan vele andere woorden, die elk op unieke wijze een verbijzondering zijn van echt. Voorbeelden zijn puur, zuiver, exact, precies, daadwerkelijk etc.. Dat echt aan al die andere woorden ten grondslag ligt, kan je zien aan het vervangen van elkaar in zinnen. 'Is dat zijn echte haarkleur?' naast 'Is dat zijn zuivere haarkleur?' of 'Is dat zijn daadwerkelijke haarkleur?'. Echt kan beide betekenissen van zuiver en daadwerkelijk betekenen, maar zuiver en daadwerkelijk betekenen in deze situaties iets anders.
Je kan niet zomaar in alle gevallen alle dimensie-woorden gebruiken. Water kan wel puur en zuiver zijn, maar precies en daadwerkelijk zijn niet van toepassing. Puur en zuiver kunnen wel weer samengaan met emotie, waar een woord als daadwerkelijk en precies dan minder betekenis hebben.

ad 4. Aanpassingswoorden noemt hij die woorden, die ervoor zorgen dat woorden in staat zijn de spreker te helpen zich uit te drukken. Startpunt is dat een taal over een 'beperkte' woordenschat beschikt, terwijl daarentegen het aantal situaties en mogelijkheden oneindig is. Als met taal enkel die zaken uitgedrukt zouden kunnen worden, die met de actuele woordenschat uitgedrukt kunnen worden, dan zullen we vaak niet in staat zijn om te zeggen wat we willen zeggen. Aanpassingswoorden kunnen ons hierbij helpen. Ze maken de taal tegelijkertijd flexibeler en preciezer. Een bijzondere combinatie.
Volgens Austin is echt een aanpassingswoord, maar het beste voorbeeld van zo'n woord is 'als'. In het Engels is dat 'like', wat wij in het Nederlands vaak zullen vertalen met 'lijkt op' in plaats van als of zoals. Door goed gebruik te maken van aanpassingswoorden kunnen veel meer zaken uitgedrukt worden: 'deze wijn lijkt op een Bordeaux, maar is het toch niet echt'. Als je enkel wijnsoorten zou mogen benoemen, waarvan je weet dat die het is, beperk je je toch echt in de keuze van wijnen die je kan gaan drinken. Kan je dan zelfs ooit starten met het drinken van wijn? Wel als je bereid bent je taal te larderen met aanpassingswoorden.

De vier tegenstellingen, die ik zag zijn:

  1. a of b
  2. (a en niet(b)) of (niet(a) en b),
  3. in a of in b, en
  4. a of niet(a).

ad 1. Identificatie van begrippen, die verschillend van elkaar zijn, maar op de een of andere wijze wel met elkaar vergeleken kunnen worden. Het is wijn of port.

ad 2. Graduele tegenstellingen. Het is zwart of wit of een van de vele grijswaardes daartussen.

ad 3. Perspectivistische tegenstellingen. Het ligt aan het startpunt van waarneming wat het antwoord op de vraag is. Wat is het? Een evenement met heel veel toeschouwers? Een voetbalwedstrijd? De finale van het WK?

ad 4. Bevestiging of ontkenning. Dit is het begin- en eindpunt van de drie andere vormen van tegenstellingen.

Deze vier tegenstellingen zijn op zinvolle wijze te koppelen aan de vier functies van het type woorden zoals echt. Dit zijn volgens mij de koppelingen gezet in een verhalende volgorde (dat leg ik na de tabel uit):

  Echt wel   Tegenstellingen
1 Context 3 Perspectief
3 Dimensie-woord 1 Identificatie
4 Aanpassingswoorden 2 Graduele verschillen
2 Broek aanhebben 4 Bevestiging of ontkenning

Er zit een verhaal in deze volgorde van vragen.
Ten eerste: wat is de situatie?
ten tweede: waar hebben we het over?
ten derde: wat nemen we waar? en tenslotte
ten vierde: en?

  1. Een context is een perspectief. Dezelfde persoon kan in verschillende contexten gezien worden als een man, popgitarist, natuurkundige of Engelsman (Brian May van Queen). Zonder de beperking en sturing van een context kan er geen mening of oordeel ontstaan. Zowel context als perspectief houden zich bezig met de vraag 'wat is de situatie?'
  2. Elk woord heeft een bepaalde betekenis. In een context kan het met bepaalde woorden uitgewisseld worden, in een andere context weer niet. De betekenis van het woord zelf verandert daarmee niet. Integendeel, je zou kunnen zeggen dat de betekenis van een woord juist blijkt uit de verschillende wijzen waarop het toegepast kan worden. De identiteit van een woord is behulpzaam bij het scheppen van een context. Het geeft nadere precisie en structuur. Vergelijk bijvoorbeeld de zinnen: \t\tdat is een echte handsbal,
    \t\tdat is een duidelijke handsbal, en
    \t\tdat is een zuivere handsbal.
    Dat het een handsbal is, is onomstreden. Toch is de interpretatie van elk geval anders. In de eerste zin kan het bijvoorbeeld een constatering achteraf zijn of dat de gesprekspartner van de waarachtigheid van de handsbal overtuigd moet worden. In de tweede zin wordt benoemd hoe zichtbaar de handsbal is, met andere woorden hoe makkelijk waarneembaar het is. In het derde geval kan benadrukt worden, dat deze handsbal in de regels omschreven wordt (komt bijvoorbeeld voor in situaties, waarin de veldspeler doelbewust met zijn handen in de richting van de bal gaat). De exacte woordkeuze binnen de context bepaalt waar het echt over gaat.
  3. Zowel aanpassingswoorden als graduele verschillen houden zich bezig met het probleem hoe met een beperkte woordenschat een oneindig aantal situaties uit te drukken? Dat maakt iets meetbaar en vergelijkingen mogelijk. Enkel als er vergelijkingen gemaakt kunnen worden, kan iets zin krijgen. Zonder context, zonder betekenis en zonder graduele verschillen kan er geen (genuanceerd) onderscheid bestaan. En waar geen onderscheid is, komt geen beslissing. Daar is bevestiging noch ontkenning.
  4. Tenslotte is de gehele situatie bepaald, zijn alle relevante eigenschappen bepaald en kan tot de beslissing worden overgegaan. Het woord relevant is heel wezenlijk in deze voorgaande zin, omdat er ten alle tijde slechts met een beperkte verzameling eigenschappen vergeleken zal worden om tot een beslissing te komen. Zoals Austin in een later hoofdstuk ook laat zien aan de hand van zijn lijstje met eigenschappen waardoor een zeker apparaat een telefoon is (een tegenwoordig zeer gedateerd lijstje en zeker niet adequaat om een telefoon te beschrijven), is het nooit de bedoeling dat een bepaald begrip ten opzichte van alle mogelijke andere begrippen gespiegeld wordt. Buiten dat het totaal onpraktisch is, beperken de eerdergenoemde context en woordbetekenissen het aantal mogelijkheden waartegen vergeleken kan worden. Het is daarmee niet zo, dat daarmee op dat moment de enige juiste beslissing genomen kan worden, maar wel dat gegeven de context en de woorden er slechts enkele beslissingen genomen kunnen worden. Het aantal mogelijke eindsituaties is eindig en wel gedefiniëerd. Om tot een beslissing te kunnen komen moet het aantal alternatieven elkaar uitsluiten. Stel dat er in zekere situatie 3 alternatieve eindsituaties mogelijk zijn, zoals de wedstrijd is in een gelijkspel geëindigd, of de thuisploeg heeft gewonnen of de uitspelende ploeg heeft gewonnen. Als het niet A is en niet B, dan moet de eindsituatie wel C zijn. Daar komt ook naar voren wat Austin bedoelt met zijn bewering dat de echtheid bepaald wordt door zijn ontkenningen. Het zijn binnen die context elkaar uitsluitende beweringen. Zonder de context verliezen de beweringen de mogelijkheid elkaar uit te sluiten. Pas dan kan een beslissing vallen en kan gezegd worden dat iets echt is.