De geboorte van de tragedie

Dit is het eerste boekvan Nietzsche als filosoof. Ik dacht, laat ik Nietzsche lezen en nu eens beginnen bij het begin. Misschien dat ik dan zijn ontwikkeling kan volgen en begrijpen waar hij het in latere boeken over heeft. Hij heeft raadselachtige boeken geschreven en termen geïntroduceerd die honderd jaar later gemeengoed zijn geworden en nog altijd zijn zijn boeken stof voor discussie. Elke keer dat ik hem lees, ben ik diep onder de indruk van de scherpte van zijn geest. Die vind ik fenomenaal. Alleen al de waarneming dat de Grieken twee goden voor de kunst hadden en daarmee ook twee culturele inspiratiebronnen kenden, prachtig! Schitterend om een boek een titel te geven, die zowel handelt over de oorsprong van de Griekse tragedie als de start van de ontworteling van de Duitse cultuur. Maar toen ik het boek las, ontwaarde ik nog een derde geboorte van een tragedie: de ontwikkeling van Nietzsche als filosoof. Heeft deze scherpe ziener zijn eigen weg gezien? Was het zelfs het pad, dat hij zichzelf droomde? Was het zijn overwinning op het leven? De laatste tien jaren van zijn leven heeft hij zich niet meer bewogen. Ik een tijd niet, nadat ik de volgende passage gelezen had, lees en huiver: 'Zo worden door deze kloof van vergetelheid de werelden van de alledaagse en van de Dionysische werkelijkheid van elkaar gescheiden. Maar zodra die alledaagse werkelijkheid weer in het bewustzijn treedt, wordt ze met afschuw als zodanig ervaren; de vrucht van die toestanden is een ascetische, wilsontkennende gemoedsgesteldheid. In die zin lijkt de Dionysische mens op Hamlet: beiden hebben een onvervalste blik geworpen in het wezen der dingen, zij hebben waarheid aanschouwd, en de gedachte dat ze moeten handelen vervult hen met walging. Want hun handelen kan niets aan het eeuwige wezen der dingen veranderen; ze ervaren het als belachelijk en smadelijk dat van hen verwacht wordt dat ze de wereld, die alle samenhang verloren heeft, weer opnieuw inrichten. Het ware inzicht slaat het handelen dood, want het handelen kan niet buiten de versluiering van de illusie – dat is de les van Hamlet, niet die goedkope wijsheid van de spreekwoordelijke dromer die door te veel nadenken, als het ware door een overdaad van mogelijkheden, niet tot handelen komt; het is dus niet het nadenken, nee! - het is de ware kennis, het inzicht in de gruwelijke waarheid, dat elk motief om te handelen in de kiem smoort, zowel bij Hamlet als bij de Dionysische mens. Nu helpt geen enkele troost meer, het smachten gaat verder dan een leven na de dood, verder dan de goden zelf, het bestaan wordt ontkend met inbegrip van zijn fonkelende weerspiegeling in de godenwereld of in een onsterfelijk hiernamaals. In het bewustzijn van de eenmaal aanschouwde waarheid ziet de mens nu overal alleen nog maar het gruwelijke of absurde van het Zijn, nu doorziet hij de symboliek in het lot van Ophelia, nu pas begijpt hij de wijsheid van de woudgod Silenus: en hij walgt.',blz 52. uit: Friedrich Nietzsche, De geboorte van de tragedie, oorspronkelijk vertaald door Kees Vuyk.