In de beperking toont zich de meester.

Lang heb ik Martin Heidegger niet gelezen. Ik heb het niet eens geprobeerd, want na een aantal pogingen Sein und Zeit in het Nederlands te lezen, stokte ik elke keer doordat hij in mijn ogen zaken groots aan het poneren was, die mijn inziens nogal ter discussie staan. (Het gaat mij om zinnen als 'als het maar goed wordt gezien en op de juiste wijze geëxpliceerd'.) Afgelopen weekend heb ik weer eens een artikel van hem gelezen. Ik moest toch in de trein zitten, dan kon ik net zo goed even een stukje filosofie lezen. Snel naar de bibliotheek gegaan en daar het dunste boekje van iemand gepakt. Het bleken twee korte artikelen van Martin Heidegger. Ik heb er maar een van gelezen, namelijk die over tijd. Het artikel heet 'Het begrip van de tijd'. Het fijne het gelezen te hebben is dat ik eindelijk zijn taal kan plaatsen: volgens mij is hij met totale overgave en toewijding met zijn vak bezig geweest. Hij is er zo in opgegaan, dat hij alle terughoudendheid uit het oog verloor.

Heidegger heeft een ondoorgrondelijk taalgebruik. Zie bijvoorbeeld een zin als 'Dit zijnde is in de telkenmaligheid het mijne'. Dit begrijp ik als 'ieder zijnde (of mens) is altijd zichzelf'. Het laatste klinkt heel wat minder poëtisch en diep doordacht, maar ik zie geen verschil in betekenis tussen deze twee zinnen. Zijn taal kan ook iets moois opleveren. Zo vind ik de zin 'Op de manier zoals het erzijn in zijn wereld spreekt over de manier van omgaan met zijn wereld, is een zelfuitleg van het erzijn mee begrepen.' een duidelijk beeld geven van de situatie dat een mens wanneer die over de wereld praat, daarbij (onbedoeld) zichzelf aan de ander uitlegt. Ik denk wel te begrijpen waar deze tekst over gaat, maar ik kan mij evenzo voorstellen dat ik de diepgang van de gebruikte begrippen over het hoofd zie. Daarom beperk ik mij hier tot dat wat ik van de tekst begrijp. (Hoe kan ik ook anders? :-)).

Hij start keurig bij de tijd en de eeuwigheid. De eeuwigheid is echter het onderwerp van theologen en dat is Heidegger niet. Hij is filosoof en wil de tijd vanuit de tijd verstaan. Exit eeuwigheid. Vervolgens beschouwt hij even de tijd vanuit het natuurkundige perspectief. Dat is de tijd, die meetbaar is. Zonder dat onderwerp echt af te maken, laat hij het los en gaat over op het onderwerp, waar hijzelf het meest op gericht is: het menselijk zijn. De overgang van zijn bespreking van de natuurkundige tijd naar de tijd vanuit het menselijke zijn verloopt als volgt: 'De natuur-tijd als wat het langst bekend en besproken is, heeft tot nu toe als basis gediend voor de uitleg van de tijd. Zou het menselijk zijn in een uitgesproken zin in de tijd zijn, zodanig dat daaraan valt af te lezen wat de tijd is, dan moet dit erzijn…' en de hele natuur-tijd komt enkel nog ter sprake om zich tegen af te zetten. Het lijkt hem gewoon niet te interesseren. Hij is ergens anders op gericht en heeft het besproken zolang hij het kon verduren. Dit perspectief is hem te beperkt, hij ziet veel meer in een bespreking vanuit het menselijk bewustzijn.

De basis van Heidegger is het erzijn en dat is het menselijk bewustzijn dat kennis heeft van het zijn. Een menselijk bewustzijn, dat op een moment of zelfs niet in staat is kennis te hebben van het zijn, is daarmee geen erzijn. Het menselijk bewustzijn is volgens Heidegger het enige bewustzijn dat in staat is het zijn te kennen. De tijd bestaat niet (alle cursiveringen komen uit de tekst van Heidegger). Enkel de tijd van het erzijn. Elke tijd is verweven met een erzijnde. Zonder een reflecterend bewustzijn dus geen tijd. Zijn tijdsbesef is louter kwalitatief en verbonden met het bewustzijn van de eigen vergankelijkheid. Hoe meer de mens in het bewustzijn van zijn eigen sterven leeft, des te meer de mens tijd heeft om wezenlijke dingen te doen. De tijdsbeleving van een erzijn strekt zich onbepaald uit tot een met zekerheid komend moment, dat zelf weer volkomen onbepaald is. (Wie weet wat wanneer hij exact gaat sterven en wat er op dat moment gebeurt?) Onder zijn ondoorgrondelijk taalgebruik blijkt zijn filosofie poëtisch te zijn. Aan het einde van het artikel komt Heidegger tot de conclusie dat de tijd erzijn is en dat de wezenlijke vraag over de tijd luidt 'Ben ik mijn tijd?'

Ik vind het een verrassend herkenbare vraag, want vaak heb ik mij in mijn leven afgevraagd of dit mijn leven is? Niet dat ik het meteen radicaal anders wil hebben, maar wel dat ik mij afvraag of mijn keuzes mijn eigen zijn ondersteunen dan wel ondergraven. Leef ik mijn eigen leven of het leven, dat ik met andere afgesproken heb? Dat ik ben overeengekomen, waartoe ik mij verplicht heb of waartoe ik door de samenleving verplicht ben? Is mijn beperking een bij mij passende keuze of een oneigenlijke begrenzing van mijn zijn? Is het mogelijk om een leven te leiden, waarin je enkel passende beperkingen hebt? Het is een heel andere zienswijze op tijd dan de eeuwige of meetbare tijd. Het is de tijdsbeleving en welke tijdsbeleving doet er meer toe dan die van de kwaliteit van het eigen leven?

Hoe verleidelijk het antwoord op die vraag ook moge zijn dat er geen enkele tijd zo belangrijk is als de tijdsbeleving van het goede leven, deze navelstaarderij laat mij met een onvoldaan gevoel achter. Wat heb ik weg moeten gooien om deze tijdsbeleving centraal te stellen? Hoe sterk heb ik mijzelf hierdoor beperkt? Tijdens het nalezen van het artikel heb ik de eerste stelling van Spinoza in de Ethica weer opgezocht: 'Al wat is, is in zichzelf of in iets anders.' Dit staat diametraal tegenover Heidegger, want het eerste dat Spinoza zegt, is 'ik wil niets uitsluiten.'

Als je ervan uitgaat dat de mens het eerste en enige wezen is dat bewust is van het zijn(dan denk ik dat hij nooit een huisdier heeft gehad dat in staat is geweest menselijke taal (de domste honden en katten kunnen meer menselijke woorden begrijpen dan de slimste mensen blaffen en miauwen van elkaar kunnen onderscheiden) correct te interpreteren), waarom is er dan pas een tijdsbesef? Hoezo is er geen tijd buiten het menselijk bewustzijn? Is die tijd, die onverbiddelijk doorgaat, juist de tijd, die het erzijn laat beseffen dat ooit het moment komt, dat het allemaal voorbij is? Als je jezelf zo sterk beperkt door die tijd weg te laten en deze niet meer te meten, dan vertroebel je mijn inziens juist het onvermurwbare besef van het eigen sterven. Door de natuurkundige tijd uit te sluiten vind ik dat Heidegger juist uit het oog verliest, waar hij de nadruk op tracht te leggen. Zijn kwalitatieve omschrijving van de tijd vervaagt de hele waarneming van het eigen sterven. Het besef zelf te sterven vind ik juist zo prangend, omdat ik besef dat de tijd in deze waanzinnig interessante wereld onverbiddelijk voortschrijdt en dat het moment steeds dichterbij komt dat de wereld zonder mij verder zal gaan. Er zijn zovele zaken, die ik zou willen weten, waar ik bij zou willen zijn, die ik nooit mee zal maken. Wat jammer! Dat besef is veel groter als ik ervan overtuigd ben, dat de wereld en de tijd niet ophouden zodra ik ophou te bestaan. Dan pas openbaart zich de tragiek van het zelfbesef ten volle. Het is duizelingwekkend te ervaren te bestaan, nog indrukwekkender dat er überhaupt iets kan bestaan, ijzingwekkend om te weten dat mijn bestaan niets voorstelt in het hele grote geheel, verpletterend om te beseffen dat miljarden bewustzijnen voor en na mij deze koude douche hebben en zullen ervaren en daarmee hoe compleet onvermijdelijk het is dat ook ik zal sterven en ook al laat ik iets na voor de mensheid, zelfs dat lost uiteindelijk op in de eeuwigheid. En dan zou het hoogste besef van het erzijn zijn dat de tijd niet bestaat? Wat jammer om dat allemaal weg te gooien! Daar vergaat de diepgang van de eigen gekozen beperkingen tegelijkertijd met de afgrond van het zijn als een zacht knapperend houtblok in de warme haard van een zelfgenoegzaam ik-bestaan.

In memoriam Theo-Jan van Kessel.