Prediker 3 1-15

Geschreven naar aanleiding van het boek 'God zoeken, liefde en dood' van Kierkegaard.

Deze man is mijn inziens geen filosoof. Een filosoof is voor mij iemand, die in zijn zoektocht naar kennis stuit op interessante gezichtspunten, daarmee worstelt en verslag doet. Zowel van de worsteling als het (voorlopige) resultaat.
Bij Kierkegaard is het bijna andersom. Hij schrijft neer wat hij al weet. Hij is totaal niet op zoek naar iets. Hij heeft het allang gevonden en verkondigt zijn woord. Dat beneemt bij mij de lust tot lezen, want ik onderga geen verlangen in zijn schrijven, wordt enkel meegenomen langs wegen van voorspelbaarheid. Er is tijd noch ruimte om vragen stellen. Dat wekt irritatie, daar hij degene is die de vragen stelt. Vragen die mij zouden moeten confronteren met mijzelf – maar mij doorgaans niet eens raken. Wat een verschil met Augustinus, die 1200 jaar daarvoor zijn boek schreef. Daar werd ik als mens echt door geraakt. Ik maakte mij zelfs ongerust over de geestesgesteldheid van Kierkegaard, want ik kan mij moeilijk voorstellen dat iemand gelukkig is, als hij vooraf al weet hoe de wereld eruit ziet dan wel eruit hoort te zien.
Daardoor blijft zijn denken ook aan de oppervlakte ronddwalen. Hij gaat nooit de diepte van de zelfverkenning in, want dat is voor hem niet meer nodig. De dood is bij hem bijvoorbeeld degene die de mens ernstig laat zijn. Ernstig zijn is dan iets, wat blijkens hem maar op een manier kan zijn, en als iemand ernstig is (blijkbaar een ondubbelzinnig goede eigenschap), dan geeft deze persoon zich continu rekenschap van zowel de onvermijdelijkheid van de dood als de nietigheid van het eigen bestaan. Hij zegt zelfs (in mijn ogen dan) dat je geen tijd mag verspillen. Dat dat een ernstige vorm van bestaan is.

Ik noem dat gewoon deprimerend. Daarnaast noem ik het ook oppervlakkig, want als je die combinatie van onvermijdelijkheid en nietigheid echt serieus neemt (in mijn ogen dan), houdt het in, dat je zoveel tijd kan verspillen als je zelf wil. Maak je niet druk, het merendeel van de eeuwigheid maakt niemand zich druk over jou en heeft wat je doet geen enkele invloed. Er is geen eeuwigheidswaarde ten opzichte van welke je je zou moeten of kunnen onderscheiden, dat is totaal onmogelijk. Wanneer verspil je tijd? Waar ben je dan mee bezig? Of wat laat je blijkbaar juist achterwege? Is het verspilde tijd om je talenten niet allemaal te ontwikkelen? Om niet alles te benutten dat zich aandient? Dat gaat vaak niet eens. Het is onvermijdelijk dat sommige levenspaden zich openen om even later onbetreden weer afgesloten te worden. Wat is de tijdsdruk om te moeten presteren in ons leven tegenover de reusachtige omvang van de alles egaliserende eeuwigheid? Dat zelfs die op zou kunnen houden mochten we in een instabiel universum leven, dat is pas indrukwekkend. Waarom wel verspilling en niet verwondering? Waarom: leef je leven alsof het je laatste dag is. Veel liever heb ik 'leef je leven alsof het je eerste dag is. Geniet maar van het moment. Zowel het moment als jij zijn er maar even. :-) Kierkegaard had veel impliciete verwijzingen naar de Bijbel, en ik dacht, nou, laat ik daarom er ook een invoegen. Ik kreeg de gedachte aan Prediker en tikte in Willibrordvertaling, omdat ik weet dat dat de katholieke vertaling is. En ik kreeg hoofdstuk 3 – niet hoofdstuk 1 wat ik gedacht had, blijkbaar wordt hoofdstuk 3 meer gelezen – en dat blijkt tot mijn grote verrassing exact te gaan over het onderwerp, waar ik het hierboven over had. Prediker 3, 1-15, Willibrordvertaling. Fantastisch! Het laatste vers luidt Wat is, was tevoren al; wat zijn zal, is vroeger al geweest. God haalt wat voorbij is steeds weer terug..

Onbegrijpelijk referentiekader.

Met moeite heb ik zijn toespraak over het zoeken naar God, over de liefde (feitelijk over het huwelijk) en het sterven gelezen. Nog steeds ben ik niet onder de indruk. Hij weet precies hoe de wereld in elkaar zit en is doorlopend andere mensen aan het veroordelen. Het geeft mij geen prettig gevoel. Als ik nu onder de indruk had kunnen zijn van zijn taalgebruik (ok, het is een vertaling) of van zijn denkbeelden, zoals bij Augustinus, Spinoza of Nietzsche, dan had ik daar makkelijk overheen kunnen stappen. Maar ik vind zijn taal soms zelfs bijna wartaal.
Soms vind ik zijn zinnen erg onlogisch, zoals in '… geen mens God kan zien zonder zuiver te zijn, en dat geen mens iets van hem kan bespeuren zonder dat hij een zondaar wordt.', blz. 19. Bedoelt hij dat iemand die zuiver is, zondaar wordt door God te zien? Het zou kunnen zijn dat hier staat, die iemand die God kan zien, bemerkt hoever hij nog te gaan heeft voordat hijzelf zo zuiver is. Maar dan is het toch geen manier om te zeggen dat je 'zondaar wordt'?
Een andere voor mij onbegrijpelijke zin heeft een kleine inleiding nodig. Anders denk ik, dat deze zin helemaal niet te plaatsen is. Het gaat over de situatie van een mens, die op zoek is naar God. God is altijd nabij, want alomtegenwoordig. God is er al, het is de persoon die het contact met God verloren is. Ok, prima leuke omkering, en ik geef toe, helder geformuleerd en beargumenteerd. Nu de letterlijke tekst, waarbij het mij gaat om de laatste twee zinnen: 'Als je ervan uitgaat dat het gezochte al gegeven is, dan betekent zoeken dat degene die zoekt zelf verandert, zodat hij de plaats wordt waar het gezochte werkelijk aanwezig kan zijn. En het gezochte was immers gegeven, het was zo dichtbij dat het leek alsof het weer verloren was. Hoe kan je de ontzetting sterker uitdrukken dan door te zeggen dat het is alsof het verloren is, zonder de zekerheid dat het verloren is? Op deze manier gaat een mens er dus op achteruit!', blz. 33. Waar komt dat achteruit vandaan? Welke ontzetting? Blijkbaar is dit een logische zin voor veel mensen, maar voor mij totaal abracadabra. Ik mis hier elke logica. Ook dat een mens er op achteruit kan gaan. Welke kennis over voor- dan wel achteruitgang wordt in de voorgaande zin als bekend verondersteld? Dat een mens elk zicht op God heeft verloren als hij kan beweren dat God verloren is, terwijl hij niet de zekerheid kan hebben dat God verloren is, daar God alomtegenwoordig is? Is het de kennis dat de mens dan zo weinig met God verbonden is, dat hij niet kan inzien hoe ver hij verdwaald is als hij zegt dat God niet meer is? Lees ik hier een filosoof of een prediker? Is hijzelf nog op zoek of weet hij alles al, want het gezochte is al gegeven?

Misschien heb ik wel wat geleerd over het protestantisme. Ik was er altijd over verbaasd dat men zich zo graag schuldig wilde verklaren. Andere mensen niet, maar zichzelf als eerste wel. Dat begreep ik niet, maar in zijn toespraak stond, dat wie zichzelf schuldig verklaarde, dichterbij God kon komen. Je moet je eigen schuld niet gaan vergelijken met andere mensen, want je staat tijdens de biecht in je eentje tegenover God. Er is niemand anders. Hij verwoordt het heel duidelijk in de volgende zin: 'Religieus gezien is het juist omgekeerd, hoe minder iemand denkt van zichzelf, niet als mens in het algemeen of wat zijn menszijn aangaat maar van zichzelf als deze ene mens, en ook niet als het gaat om zijn talenten maar als het gaat om zijn schuld, des te duidelijker wordt God voor hem.', blz. 36. Als je via deze weg gelooft, dan is het bijna prettig om jezelf als schuldig te zien. En deze dan 'Hoe dieper het verdriet, hoe dieper de macht van de zonde wordt ingezien.', blz. 37. Taalkundig begrijpelijk, maar verder on: 'Je zonden in het algemeen toe te geven, dat is gemakkelijk, maar om vanuit een enkele zonde, heel precies en nauwkeurig opgevat, zorgvuldig zoals een onpartijdige rechter te werk gaat, vanuit die ene, of vanuit deze bepaalde zonden een samenhang te ontdekken: dat is een zware gang en een gedwongen gang. Toch is die zware gang de juiste, en de dwang is heilzaam.', blz. 40. Is dit een van de grondleggers van het existentialisme? Is dit een tekst, die een heel andere Kierkegaard laat zien, dan in zijn andere werken gebruikelijk?

Ik stokte met lezen, toen hij de opluchting ervoer dat ook jonge vrouwen zich schuldig kunnen voelen, want zo redeneerde hij, dan was toch iedereen schuldig. Zijn basisgedachte is dat iedereen schuldig is, maar hij worstelde met het probleem dat in zijn ogen jonge vrouwen beminnelijk en onschuldig zijn. Toen hij echter vernam, dat zij hun schuld erkennen, kon hij opgelucht ademhalen. Het was dus toch waar: alles en iedereen is schuldig. Zelfs jonge vrouwen.
Buiten dat ik vind dat hij niet eens de moeite doet om uit te leggen wat hij met de bewering bedoelt dat iedereen schuldig is – ik vermoed de erfzonde en Kierkegaard leefde inderdaad voor The Origin of Species (1859) – vind ik het nogal pedant om iedereen zo over een kam te scheren. Later in het stuk, als iemand spreekt over de algemeenheid van de zonde noemt hij dat de makkelijke weg. Waarom is zijn bewering dat iedereen schuldig is dat dan niet?
Maar vooral heeft hij de vreemde vooronderstelling dat jonge vrouwen niet schuldig zouden kunnen zijn, maar jonge mannen blijkbaar wel. Als mens zou je dan toch even bij je eigen vooronderstellingen stil willen blijven staan en als je een boek schrijft, waarin je waardevolle gedachtes wilt neerschrijven, dan blijf je hier toch langer bij stilstaan. Waarom heb je als mens de behoefte om dat te zeggen? Zeker als je zelf een man bent die van vrouwen houdt. Natuurlijk hebben vrouwen daardoor een soort vertedering voor. Maar toch, dan zou ik zelf toch minimaal dat willen verklaren aan mijn lezers (en lezeressen) of het weglaten. Is dit ontegenzeglijk duidelijk en mis ik iets in mijn wereldbeschouwing of is dit een blinde vlek van de schrijver of … ?
Naast dat hij generaliseert door iedereen op voorhand schuldig te verklaren, generaliseert hij nog een keer enorm door het schuldgevoel van de jonge vrouwen die hij gesproken heeft uit te breiden naar alle jonge vrouwen. Zijn gretigheid om tot deze conclusie te komen laat mij zien hoe belangrijk dit punt voor hem is. Ten slotte aanvaardt hij hun uitlatingen als bewijs voor zijn eigen beweringen, terwijl hij niet hard kan maken of hij dat ook gedaan zou hebben mochten zij anders beweerd hebben. Dat laatste hoeven we in feite niet over te twijfelen hoe hij hierop gereageerd zou hebben, want tot dan toe had hij blijkbaar nog geen bewijs. Mocht hij eerder gehoord hebben dat jonge vrouwen daar geen last van hadden, dan had hij deze bewering, die in tegenspraak is met zijn verlangen te horen, naast zich neergelegd. Vanaf het moment dat hij deze bevestigingen voor zijn wereldbeeld heeft ontvangen, zal hij niet meer geïnteresseerd zijn in andere uitlatingen. Dat hoeft ook niet, want hij weet het al.

Het is niet zo, dat Kierkegaard nu voor altijd uit mijn boekenkast zal blijven. Wel, dat de prioriteit om hem te lezen drastisch gedaald is. Door deze ene redenering van hem. Ik vind het het mooist als ik een redenering van een ander hetzelfde belang kan geven als ik denk, dat het voor die ander geldt. Volgens mij was deze constatering heel belangrijk voor Kierkegaard, derhalve is zij dat ook voor mij om zijn werk te begrijpen. Prediker, 7, vers 29.