Nicholas Carr: waar een wil is, is een redenatie.

Het boek van Nicholas Carr over wat het internet doet met onze hersenen 'Het ondiepe' was een bestseller toen het uitkwam. Begrijpelijk, want het handelt over iets, dat een steeds groter deel van ons leven uitmaakt. Het is voor mensen al een basisbehoefte. Tijd voor een evaluatie.
Kort gezegd komt het er volgens Nicholas Carr op neer dat we als mensheid het langzame, diepe denken zullen verliezen mocht internet deel van ons leven uit blijven maken. Dat laatste is een zekerheid. Zelf houdt hij van het internet en heeft er zijn geld mee verdient. Hij kan moeilijk zonder, maar ziet er de gevaren van in en wil met dit boek de mensheid waarschuwen.

Het diepe lezen

Het eerste dat opvalt aan dit boek, is dat Nicholas Carr ontzettend veel van onthouden houdt. Hij heeft liefde voor het vergaren van kennis en is oprecht bezorgd over de toekomst van de mensheid. Hij vindt dat de mensheid een vermogen dreigt te verliezen, dat de mens tot mens maakt. Het tweede dat opvalt, is dat hij zijn verhaal prachtig weet te vertellen. Ik werd meegesleept door zijn betoog en was maar al te bereid om hem te geloven. Hij is zelf een autoriteit op internet, weet er veel vanaf en heeft een mooie verhaallijn gecreëerd. In het begin vertelt hij zijn en andermans ervaringen, die hem het effect van het internet op het denken lieten realiseren, daarna komt hij met een menselijke eigenschap, waardoor we als mensheid het effect niet kunnen ontlopen en vervolgens met een aantal voorbeelden in de geschiedenis, waaruit blijkt dat het effect reeds eerder is opgetreden. Hoe kan het anders zijn?

Het sterkste punt van zijn betoog vond ik zijn opmerkingen over de analogie tussen de menselijke hersenen en de computer. Menselijke hersenen werken niet als een computer en die vergelijking loopt mank. Die vergelijking is niet zinvol om te maken. Het is heel verleidelijk en is vaker gebeurd in de geschiedenis van de mensheid. Toen de mens onder de indruk was de van klok (eind 16e eeuw) waren vergelijkingen hiermee populair. Natuur- en scheikunde hebben ook analogieën opgeleverd, net zoals de industriële revolutie. Carr laat zien, dat de analogie met de computer niet geschikt is voor het menselijke denken. Tussendoor maakt hij een mooie woordspeling op de evolutie volgens Darwin: survival of the busiest.

Het belangrijkste onderdeel van zijn argumentatie is dat hersenen tijdens het leven kunnen veranderen. Computers kunnen dat niet. De hardware is onveranderbaar en de reacties van computerprogramma's is beperkt door wat de programmeur er oorspronkelijk instopte. Zodra het programma geïnstalleerd is, is de leertijd van het programma voorbij. Hoe anders werken de menselijke hersenen. Het is zelfs spreekwoordelijk: 'Een mens is nooit te oud om te leren'. Menselijke hersenen reageren op omstandigheden en veranderen daardoor. Als je als mens bepaalde activiteiten vaak doet, dan worden bepaalde delen in de hersenen vaker aangesproken en wordt daarmee dat pad steeds makkelijker voor de persoon om te bewandelen. Elke keer dat een bepaald deel van de hersenen aangesproken wordt, ontstaan daar nieuwe verbindingen. En hoe meer verbindingen een deel heeft, hoe actiever het gebruikt wordt en hoe makkelijker informatie daar rondzingt. Carr noemt dat de hersenplasticiteit.
Het is heel begrijpelijk dat hersenen zo werken. Hoe kan het ook anders? Hoe kan je nieuwe ervaringen opdoen, als de hersenen niet in staat zouden zijn om zich te veranderen op basis van die nieuwe ervaringen? Dan heb je geen leervermogen en kan je de huidige indrukken niet verwerken. Het grote verschil tussen lange – en kortetermijnherinneringen is dat de langetermijnherinneringen daadwerkelijk in het geheugen verankerd worden door fysieke wijzigingen van de hersenen en dat niet gebeurt voor herinneringen van het kortetermijngeheugen. (Daarom ook dat het kortetermijngeheugen een bepaalde maximum capaciteit heeft en het langetermijngeheugen in principe een oneindige capaciteit.) Het blijkt zelfs zo te zijn, dat langetermijnherinneringen weer kunnen vervagen doordat de voor een herinnering aangemaakte structuren langzaamaan verdwijnen. Herinneringen dienen derhalve regelmatig geactiveerd te worden om te kunnen blijven bestaan. De overgang van het herinneringen vanuit het kortetermijngeheugen naar het langetermijngeheugen lijkt gecoördineerd te worden in samenwerking met de hippocampus.

Denken is daarmee te vergelijken met waterstromen. Hoe vaker bepaalde soorten gedachtes gedacht worden, hoe breder het pad uitgesleten wordt, hoe makkelijker het water er doorheen stroomt. Exact zoals geformuleerd in de paden van Patanjali. Carr gebruikt een vergelijkbare omschrijving en noemt het de weg van de minste weerstand. Het adagium van Goethe 'in de beperking toont zich de meester' krijgt door deze zichzelf verbredende waterwegen eveneens meer gestalte. Herinneringen werken via associaties en aantallen verbindingen, wat wil zeggen dat het voordelig is om sterke structuren op te bouwen: de wet van de zich versnellende voorsprong. De zoekmachine van Google werkt feitelijk hetzelfde. Hoe meer verbindingen er naar een site zijn, hoe hoger deze in de ranking komt te staan. Want meer verbindingen wordt geïnterpreteerd als een aanwijzing dat de inhoud relevanter is. Zou Google daarom zo populair zijn? Het effect van de werking van Google kan zijn dat dezelfde pagina's altijd bovenaan komen te staan. Meer mensen lezen dezelfde pagina, een vast percentage maakt een verwijzing naar deze pagina en als gevolg daarvan stijgt de ranking van deze pagina. Staat weer hoger op de lijst, etc.. Dat kan leiden tot een grotere uniformiteit in beschikbare en gebruikte kennis. Carr haalt een studie aan die dit effect heeft gevonden in wetenschappelijke studies vanaf 1945 tot 2005. Recentere studies verwezen vaker naar dezelfde informatie met als gevolg dat er in totaal minder verschillende studies gebruikt werden. Dan krijgt Goethe's adagium een sinistere ondertoon. :-)

Interessant om dan voor te stellen hoe vergeten en verdringing zouden kunnen werken. Wat vergeten wordt, kan herinnerd worden zijnde ooit geweten, maar nu vergeten: 'wat was dat ook al weer?' De langzaamaan verdwijnende hersenstructuren zouden in overeenstemming zijn met het vergeten van iets, dat vroeger ooit geweten was. Ooit was het actuele kennis, maar nu is deze letterlijk aan het vervagen. De oorspronkelijke structuren zijn nog aanwezig, hebben echter te weinig vorm om concrete informatie te bevatten. Derhalve is het wel bekend, waar gezocht moet worden – wat al een hele prestatie is – en is ook duidelijk dat het gevonden is, maar is het gebied zelf oninterpreteerbaar geworden. Wat verdrongen wordt, kan later nog opgehaald worden en blijft dus bestaan – terwijl het zeker niet openlijk actief gebruikt wordt. De structuur wordt wel actief onderhouden, want anders zou de herinnering uitvagen. Dat maakt het een bijzondere manier van onthouden. Daarmee is het ook begrijpelijk waarom verdringen zo'n energie zou kunnen kosten. Het is een verzameling herinneringen, die veel associaties hebben met herinneringen die wel aangesproken en herinnerd mogen worden, maar zelf elke keer niet naar op de oppervlakte mogen komen. Misschien zijn daar zelfs meerdere verbindingen voor nodig om te bewerkstelligen dat het toch niet naar de oppervlakte komt. Daarmee lijkt het of eenieder van ons een persoonlijke archivaris heeft, die weet wat belangrijk is om onthouden te worden en wat rustig vergeten mag worden. Deze archivaris is in staat om onderscheid te maken tussen wat onthouden moet worden, maar niet herinnerd mag worden en dat wat vergeten mag worden, maar wat wel opgehaald mag worden. En zelfs herinneringen die vrijwel vergeten zijn, kunnen ogenblikkelijk gevonden worden – al kunnen ze niet meer geïnterpreteerd worden.

Het ondiepe denken

Het boek heeft mij aan het denken gezet en opnieuw nieuwsgierig gemaakt naar de werking van hersenen, maar verder dan dat reikt het niet. Het denken van Nicholas Carr heeft mijn inziens namelijk een grote beperking. Hij haalt een argument enkel aan om zijn standpunten te ondersteunen, zelfs als bij oppervlakkige beschouwing al duidelijk is, dat het niet zo eenvoudig is als hij beweert. Hoe verder ik in het boek las, hoe meer vragen ik ging missen, waardoor de beantwoording van die ene vraag 'wat doet het internet met ons denken?' steeds minder relevant werd en mocht die relevant zijn, dan zou mijn antwoord steeds meer geneigd zijn het met Carr oneens te zijn. Hij is namelijk erg slordig in zijn denken. Een aantal voorbeelden.

Het belangrijkste voorbeeld vond ik de vermelding van een onderzoek, waarbij de hersenpatronen gemeten werden van ervaren internetgebruikers versus niet-ervaren internetgebruikers. Deze patronen bleken duidelijk te verschillen, waarbij het patroon van de ervaren internetgebruikers voor Carr bewees, dat deze mensen niet meer diep zouden kunnen lezen. Ok, dat kan. Vervolgens kwam er nog een vervolgonderzoek, waarbij de niet-ervaren internetgebruikers gedurende een werkweek een uur per dag les kregen in het gebruik van internet. Met andere woorden, ze gingen gedurende in een werkweek een uur lang surfen. En wat bleek? Deze mensen hadden eenzelfde wijziging in de werking van hun hersenpatronen ondergaan. 'Zie je nu wat het internet met het denken van mensen doet?' schreef Carr. 'Wat zal er gebeuren met deze mensen als zij ook ervaren internetgebruikers worden?' Dat vond ik geen overtuigende opmerking, want hij had het een paar regels eerder beschreven: niets meer dan wat er in een week gebeurd was, want na een week vertoonde de hersenpatronen van de niet-ervaren internetgebruikers hetzelfde patroon als dat van de ervaren internetgebruikers. De aanpassing is snel, doelgericht en blijft beperkt. Prima, beter resultaat is niet denkbaar. Maakt de maximale indruk van internet niet zo groot en toont de flexibiliteit van de hersenen, want het patroon van ervaren gebruikers kan al in een werkweekje bereikt worden. Blijkbaar behoort dit tot de standaardpatronen, waar mensen over beschikken. Gaat hij helemaal aan voorbij.

Hoe kan hij dit boek schrijven, als het waar is wat hij beweert? Gedurende het lezen van dit boek was dat de vraag, die constant aandacht vroeg. Waarom schrijft iemand, die niet meer in staat is diep te lezen, een boek, wetende dat er geen publiek zal zijn dat in staat is zijn schrijven tot zich te nemen? Dat is als een zelfverkozen roepende in de woestijn of als iemand die in een drukke winkelstraat aan de passerende mensen gaat vragen aandachtig met elkaar om te gaan.
Hoe is hij zelf nog in staat dit boek te schrijven en überhaupt in staat deze gedachte te denken? Hoe kan hij tot bezinning komen als zijn bewering klopt, dat het internet diep lezen onmogelijk maakt? Is zijn boek de laatste flits van helderheid voordat het internet als een reusachtig web van vergetelheid de mensheid in oppervlakkige beschouwingen laat verzinken? Als jij de mens bent, die dat boek schrijft, dan beleef je toch de ultieme tragedie? Verkocht, gelezen, maar niet serieus genomen. De mensheid is gedoemd.
De eerste keer, dat ik het idee had, dat Carr argumenten naar zijn hand aan het zetten was, was bij de volgende opsomming van soorten technieken, die de mensheid bezit:

  1. technieken om fysieke kracht en vaardigheid te vergroten,
    schop, vliegtuig, racket
  2. technieken om onze zintuigen te versterken dan wel uit te breiden
    miscroscoop, bril, gehoortoestel
  3. technieken om onze omgeving aan onze wensen en behoeftes aan te passen
    stuwdam, landbouw, huizen
  4. technieken om onze geestelijke vermogens te versterken en uit te breiden.
    scholen, boeken, telraam

Dit vind ik een heel beperkte zienswijze op technieken en nogal doorzichtig om de laatste techniek als belangrijkste te portretteren. Bij de technieken om onze omgeving aan onze wensen en behoeftes aan te passen zou ik bijvoorbeeld handel toe willen voegen. Daarnaast mis ik nog een aantal categorieën technieken, die ons mensen ter beschikking staan en die allen te maken hebben met het belangrijkste kenmerk van het menszijn: we zijn sociale wezens. Ik ga niet beweren dat na mijn toevoegingen alle soorten technieken beschreven zijn, maar wel dat dit snel laat zien hoe het beperken van categorieën het blikveld van de lezer kan beïnvloeden.

  1. technieken om geliefdes en gelijkgestemden te ontmoeten,
    ontmoetingsplaatsen, lezingen, woonplaatsen, dating sites
  2. technieken om het samenzijn te beleven en te verzorgen
    kerken, stadions, paspoorten, wet- en regelgeving, taal, social media sites
  3. technieken om jezelf te verzorgen en uit te drukken
    kleding, mode, geneeskunde, sporten, kunst, therapie, blogs
  4. technieken om je bewustzijn te versterken en uit te breiden.
    meditatie, drugs, rituelen, celibaat, online interviews van mensen met wijsheid

Een ander punt, waar hijzelf steeds aan voorbijgaat, is zijn eigen vermelding van momenten in de geschiedenis dat mensen waarschuwden voor een vermindering van de kwaliteit van het denken door opkomst van technologische innovaties. Dat heeft Socrates al gedaan, maar is net zo goed gebeurd in de zestiende eeuw, volgend op de uitvinding van de boekdrukkunst. Die laatste uitvinding ziet Nicholass Carr juist als een verrijking voor de mensheid. Hij legt niet uit, waarom zijn waarschuwing anders is dan de waarschuwingen behorende bij alle voorgaande veranderingen, terwijl dat een levensgroot vraagteken is in zijn betoog. Bij al die andere ontwikkelingen schetst hij een voordeel in de werking van het denken, waardoor het zo'n succes kon worden. Internet is ongetwijfeld een succes in de ontwikkeling van de mensheid. Is er een ontwikkeling in de geschiedenis van de mensheid te noemen, die zo snel een wereldwijde acceptatie heeft gekregen als internet? En dan is het slecht voor de mensheid? Hoe kan hij dat verklaren? Is er dan niets goed aan internet, dat vergelijkbaar is met het goede van de voorgaande technologische ontwikkelingen? Dat hij het niet eens probeert, vind ik een grote omissie in zijn boek.

Het naakte feit dat internet zo aanslaat bij iedereen laat Carr onbesproken. Hoe kan hij dat doen? Dat is toch het meest opvallende aan het internet? In deze tijd hebben we twee grote technologische veranderingen, die allebei een zeer grote acceptatie hebben: mobiele telefonie en internet. Deze technieken kunnen niets anders zijn dan menselijk, zo menselijk. Er is al duizenden jaren de oproep tot celibatair gedrag door een machtig instituut en er bestaat nog maar twintig jaar internet. Het ene wordt door veel mensen nu al als onmisbaar ervaren en het andere nog steeds niet. Wat mobiele telefonie en internet bieden, past blijkbaar bij het mens-zijn. Net zoals de kunst van het schrijven, de kunst kaarten te maken, de tijd exact te meten. Dat is een zienswijze, die Nicholas Carr niet kan gebruiken, dus gaat hij vooral aan dat punt voorbij. Neem je het serieus, dan kan je alleen nog maar concluderen dat wereldwijd gebruik van internet bepaalde eigenschappen van mensen misschien zullen versterken, maar dat deze eigenschappen altijd al aanwezig zijn geweest. Internet sluit aan bij basisbehoeftes van het mens-zijn en past derhalve naadloos in ons leven. Anders zou het nooit zo'n succes zijn geworden in zo'n korte tijd. Nicholass Carr heeft het over het diepe lezen, dat internet onmogelijk maakt. Dat zou kunnen, al betwijfel ik het. Maar wat het zeker wel mogelijk maakt op een voorheen onbereikbare schaal, is doelgericht informatie verzamelen. Je kan echt allerlei woordcombinaties maken en je krijgt antwoord. Je kan je zoektermen bijstellen, je zoekmethodes veranderen, je kan van zoekmachine veranderen en elke keer heb je binnen een paar seconden resultaat, waar je vroeger maar moest hopen op een antwoord. Op webpagina's staat informatie anders gerangschikt. Elke pagina is onafhankelijk van de andere pagina's. Dat is een essentiëel kenmerk van bijvoorbeeld deze blog, terwijl in een boek zou er een grote beperking op de verzameling informatie staan, doordat er een verhaallijn in moet zitten. De beperking kan zeker meerwaarde hebben, maar de lezer kan enkel geïnteresseerd zijn in een klein deel van de informatie. Op internet is die informatie vaak snel te vinden. Het effect van internet kan zijn dat we doelgerichter gaan denken en handelen. De eerste generatie zal misschien negatieve effecten ervaren, omdat het nieuwe denkpatronen vergt, maar om het daarmee voor de rest van de mensheid, die na ons volgt, uit te bannen, lijkt mij ouderwets de baby met het badwater weggooien.