Horen, zien, zwijgen: door de bomen ten Bos niet meer zien

Onlangs heb ik een boek van mijn oude schaakvriend René ten Bos getiteld “Stilte, geste, stem” gelezen. Het leek wel of ik de persoonlijkheid van René, zoals ik hem kende, in het boek door hoorde klinken. Hij is heel bevlogen voor het vak filosofie, laat zien zeer belezen te zijn en houdt ervan om een uitgebreide woordenschat te etaleren. Zouden beide laatste eigenschappen patserig kunnen overkomen, zo natuurlijk als het bij René was, heeft het bij mij nooit die indruk gemaakt. Ik heb het altijd ervaren als zijn geste om al zijn kennis te delen en zijn toehoorder mee te nemen in zijn wereld. En ja, hij vindt het leuk om woorden als catachrese en polysemie te gebruiken. Woorden, die niet echt courant zijn. Het is lang geleden dat ik deze termen gelezen heb, als ik ze al ooit eerder gelezen had.

René toen

Vroeger heeft hij ons bij het schaken regelmatig verrast met zijn creatieve perspectieven. Zo kan ik mij nog herinneren dat hij zei, dat hij vooral profylactisch (=behoedzaam) wilde spelen, omdat hij vond dat schaken in principe remise was en hij dit precaire evenwicht niet wilde verbreken. Dus liet hij ons partijen zien, waarin hij inderdaad behoedzaam speelde edoch verpletterend won, omdat hij respectvol op de uitnodiging van zijn tegenstander inging hem te volgen in het nieuw voorgestelde evenwicht (= onder het mom van vredelievendheid de fout van de tegenstander genadeloos af te straffen). We lagen dubbel bij zijn welbespraakte monologen, zelfs als het onze eigen partijen betrof.

Tevens was ik verbaasd – en blij voor hem – dat hij professor in de filosofie was geworden. Ik vind hem heel intelligent, maar ik vond hem nooit een nauwkeurig spreker en denker. Ik had toch altijd het idee dat die twee eigenschappen onontbeerlijk zouden zijn om professor in de filosofie te worden. Blijkbaar was hij daarin gegroeid, dacht ik. Dus meteen zijn boek gekocht en gaan lezen.

Een standpunt waarin wij diametraal van elkaar verschilden is dat hij vond dat je je aan moest sluiten bij het standpunt van anderen, waar ik dit totaal overbodig achtte. Als ik zou filosoferen, lever ik mijn unieke bijdrage en als ik mij aan zou moeten sluiten bij het standpunt van anderen, dan zou ik water bij mijn eigen wijn moeten doen. Dat vond ik ondenkbaar, terwijl hij dat juist belangrijk vond, als een gebaar van respect aan meer dan tweeduizend jaar grote denkers.
Toen ik dit boek las, moest ik meteen aan dit meningsverschil denken. Ik had het kunnen weten. Hij haalt continu andere mensen aan. Hij toont de hele tijd respect. Maar zelfs zoveel, dat het voor mij lang niet altijd duidelijk meer is wie nu werkelijk aan het woord is en waarom ik dan een boek van René zou kopen in plaats van boeken van die andere filosofen? Aan de ene kant kan je zeggen dat hij het boek zelf heeft geschreven en samengesteld. Er zijn duizenden filosofen en hij heeft er een aantal besproken, een aantal citaten geselecteerd en er zijn licht op laten schijnen. Dan is het toch zijn boek zou je kunnen zeggen? Ik vind van niet. Hij citeert en bespreekt zoveel werk van anderen, dat zijn eigen bijdrage voor mij nauwelijks terug te vinden is. Als je wat direct te maken heeft met werk van anderen grijs zou kleuren en dan enkel de zinnen over zou houden, die René in zijn boek heeft geschreven, dan blijft er erg weinig over. En dat vind ik jammer, want hij is een originele persoonlijkheid met een prachtig gevoel voor understatement. We verschillen na al die jaren nog steeds evenveel van mening over dit punt.

Hoeveel veranderen we?

Tijdens het lezen van dit boek trof mij dan ook de vraag hoeveel of hoe weinig veranderen we eigenlijk in een leven? Hij klonk voor mij nog precies hetzelfde als 25 jaren geleden, we leken nog steeds dezelfde verschillen van mening te hebben en hij had in zijn werk nog steeds dezelfde sprekersargumenten als vroeger. Oppervlakkig gezien lijkt de volgende zin bijvoorbeeld te kloppen, maar als je er even bij stilstaat, dan weet je meteen dat het geen hout snijdt: 'De geste heeft geen doel en is in die zin de tegenpool van arbeid.', blz. 123.

In een debat is dat een heel goede stelling. De luisteraar wordt even verrast door het onverwachte verband. Tegelijkertijd begrijpt hij het in de context van het gezegde en gaat makkelijk mee in de stelling. Het moment van kritiek is voorbij en René heeft zijn ongedachte startpunt verkregen. Toen ik het boek las, las ik daadwerkelijk eerst over de zin heen, hem aanvaardend, en keerde toen terug. 'He, wacht even, wat staat hier?' En las deze zin met aandacht opnieuw. Dat klopt niet. Dat gaat recht tegen mijn begrip van geste in.
Een geste is een handeling, die andere mensen kunnen begrijpen - anders kan je het geen geste noemen. Een willekeurige zwaai met de armen is en blijft dat: een willekeurige zwaai met de armen. Iemand gedag zwaaien is geen willekeurige zwaai met de armen. Mensen begrijpen het meteen. Het kan spontaan zijn en impulsief - dan werkt het ook het beste, maar om dan te concluderen dat het niet doelgericht is? Het brengt betekenis over en alles wat een concrete betekenis overbrengt is doelgericht: namelijk het heeft als doel een bepaalde boodschap over te brengen. Dat deel van de stelling klopt al niet.
Daarnaast is het de vraag of arbeid altijd doelgericht moet zijn. Voor wie? Voor welk doel? Dit is niet bedoeld als filosofische vraag om spijkers op laag water te gaan zoeken. Er zijn veel mensen die hun baan niets vinden, die de zin van hun arbeid niet inzien. Arbeid kan doelgericht zijn vanuit het grotere geheel, maar degene die het uitvoert, kan het op een heel andere manier doelgericht ervaren. Voor een postbode kan het de functie hebben om de rekeningen aan het eind van de maand te bepalen, waar het voor de organisatie kan zijn dat de post rondgebracht wordt en voor de ontvanger dat de post binnenkomt. Een voorbeeld van arbeid, drie verschillende type doelen. Welk type doel bepaalt dat arbeid doelmatig is? Stel dat dat het rondbrengen van de post is, waarin verschilt dat doel dan van het zwaaien van de koning naar zijn onderdanen of het juichen van de sporter naar de supporters? Dat zijn toch veel meer gestes dan arbeidzame handelingen? Maar als de koning niet zou zwaaien naar zijn onderdanen of de voetballer zijn vreugde niet deelt met de supporters van zijn club, dan heeft dat wel degelijk effect op hoe de ander die persoon beoordeelt. Een koning wordt minder populair, een voetballer zet zichzelf daardoor mogelijk op de transferlijst van de club. Dan kan de speler nog zo goed zijn op het veld, als hij geen betrokkenheid bij de club toont middels gestes, die niet in zijn arbeidscontract opgenomen staan, dan kan hij het wel schudden bij de club. En het moet spontaan en impulsief blijven komen.
Stel dat je gaat kijken wat dan wel een tegenpool is van arbeid. Wat komt er op bij het begrip 'doelloze arbeid'? Bij mij Sisyphusarbeid en strafwerk, maar niet geste. In geen velden of wegen. En wat komt erop bij het begrip 'doelgerichte geste'? Bij mij de begrippen manipulatie en ritueel. Arbeid zeker niet.

René laat in zijn boek na zijn begrippen duidelijk af te bakenen. Zo zou een geste niet talig zijn, niet-rationeel, niet-menselijk en zoals boven vermeld niet doelgericht zijn. Maar het maken van excuses wordt als een geste gezien en het maken van excuses is minimaal talig, regelmatig rationeel en vaak doelgericht. Een geste zou niet planmatig zijn, maar spontaan en impulsief. Excuses door een politicus? Dat gaat niet met elkaar samen. Dit is wel René, zoals ik mij hem herinner. Per verhaal dat hij vertelt is hij consistent, maar over verhalen heen is hij inconsistent.

Inconsistentie zelf hoeft nog geen probleem te zijn binnen de opzet van dit boek. Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, consistent te zijn als je begrippen gaat overdenken. Begrippen als stilte, geste en stem kunnen zoveel omvattend zijn, dat het een heel goede benadering is om ze in korte stukken vanuit verschillende perspectieven te belichten. Daardoor kan het gebeuren dat er een inconsistentie in lijkt te zitten in wat beweerd wordt, maar het voordeel is dat elk verschillend perspectief beter tot zijn recht kan komen. Ik ben van mening dat de tegenspraken die dan verschijnen een gevolg zouden moeten zijn van de verschillende perspectieven waaruit gekeken wordt. De innerlijke tegenspraken zouden niet moeten ontstaan door het hanteren van andere definities van hetzelfde begrip. Aan de eerste definitie van bijvoorbeeld stilte zou langzamerhand meerdere lagen toegevoegd kunnen worden. Als een soort toverlantaarn waarin dezelfde kraaltjes na een draai een nieuw prachtig perspectief tonen. Maar niet compleet anders en zeker niet elkaar tegensprekend. Als hij het toverlantaarnprincipe consequent gehanteerd zou hebben, zou je als lezer een steeds grotere diepgang hebben kunnen ervaren van de begrippen waar hij over schrijft. Nu hij definities hanteert die elkaar tegenspreken worden beide beelden juist platgeslagen en verdwijnt elke diepgang. Wat overblijft is een gevoel van onzorgvuldigheid.

Stilte

Verder wil ik in deze bespreking mij concentreren op en beperken tot het eerste deel over stilte. Voornamelijk omdat de bespreking van geste en stem voor een groot deel herhaling van zetten zou worden. Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: hoe heeft René de positieve kracht van stilte kunnen missen? Hoe kan het ontbreken in zijn bespreking van stilte? Hoe kan het dat er niet geconcentreerd stil gestaan wordt naar het verschil tussen stil zijn en zwijgen?
Stilte is voor mij rust en vrede. De belangrijkste vorm van stilte die ik ken, ontbreekt vrijwel helemaal in de bespreking van René: de heerlijke stilte in jezelf. In slechts spaarzame opmerkingen verwijst hij ernaar, maar hij ziet het niet als een belangrijk kenmerk van stilte. Volgens mij zou dit perspectief juist niet mogen ontbreken. Zie hoe hij spreekt over de tweede liefde (wat enkel een eufemisme is voor overspel). 'Ze berusten in de onzegbaarheid van de liefde. Ze accepteren de stilte, koesteren haar zelfs als het beste bewijs...', pag. 26. Het klinkt bijna romantisch en nastrevenswaardig. Vreemdgaan creëert mijns inziens juist geen stilte, maar bestaat uit onrustmakende heimelijkheid en noodgedwongen verzwijgen. Het gaat gepaard met een innerlijke onrust, juist omdat je niet meer open en transparant naar je eerste geliefde kan zijn. Het lijkt mij een hel.

'Toch willen we altijd spreken, we willen in ieder geval ook anderen altijd laten spreken. We gunnen elkaar en onszelf de stilte niet.', pag. 22. Waar haalt hij dit vandaan? Het is de openingszin van het artikel 'Verleiding', maar waar komt deze slag in de lucht vandaan? Ik herken dit niet. Ik gun iemand juist stilte, juist de rust in zichzelf om niet te hoeven spreken als het niet nodig is. Ik vind het heerlijk als iemand de kracht heeft om een stilte te laten vallen. René denkt niet positief over stilte. Hij stelt zelfs 'Dat stilte ondragelijk is, is iets wat we dagelijks kunnen ervaren.', pag. 46.

Nergens in het boek maakt hij een systematisch onderscheid tussen stil zijn en zwijgen, noch onderzoekt hij deze relatie. Zo schrijf hij op pagina 36 'Slachtofferschap impliceert stilte.' Ik zou eerder zeggen dat slachtofferschap en zwijgen met elkaar verbonden zijn. Maar René houdt het op stilte. Dat miste hij ook al bij de twee overspeligen. Dat noemde hij ook al stilte, terwijl het enige stille aspect van verzwijgen komt. Als hij nog een keer over het slachtofferschap spreekt in 'Het ware slachtofferschap, zo zagen we eerder, is dat er geen woorden verbonden kunnen worden aan het leed dat ontstaat.', (pag. 43) laat zien dat stilte wordt gezien als het ontbreken van de mogelijkheid tot spreken. Dat laatste behoort echter tot het domein van zwijgen.
Het verschil tussen stil zijn en zwijgen is dat bij stil zijn woorden in het geheel ontbreken, terwijl bij zwijgen er wel woorden zijn, maar deze niet uitgesproken worden. Bij slachtofferschap en overspel zijn er wel woorden. Ik denk zelfs vele woorden. Hele woordenstromen. Maar ze worden niet uitgesproken. Ze worden binnengehouden, ze worden verzwegen. De echte reden wordt niet verteld. Zolang dat niet gebeurt, kent de persoon geen rust, geen vrede, geen stilte in zichzelf. Als iemand daarentegen stil is, dan ontbreekt hem elke behoefte aan het spreken. Dat onderscheid tussen stil zijn en zwijgen maakt René nergens in zijn boek. In een boek met als titel 'Stilte, geste, stem' had ik dat wel verwacht.

René beredeneert dat redeneren uiteindelijk valt en stilte lekt. Het citaat waarin hij het lekken van stilte beschrijft wil ik u niet onthouden. Het is mooi: 'Maar valt een stilte? Ik denk het niet. Stilte lekt, en wat er na het lekken overblijft, is niets anders dan leegte. Stilte lekt langs de muren van wat er aan logica en rede is opgebouwd. En aan de andere kant van die muur is niets dan leegte.', pag. 62. Hoe hij tot de conclusie komt dat denken uiteindelijk zichzelf ondermijnt vind ik verre van overtuigend. De wereld blijkt voor het denken ondoorgrondelijk te zijn, reflecteren loopt op niets uit en derhalve leert reflectie op de wereld dat het denken de denker onderuithaalt. Het denken als valkuil voor de mens. Om dit te ondersteunen haalt hij onder meer Wittgenstein aan, die zegt dat 'Der Welt ist alles was der Fall ist', pag. 61. Hoe hij der Fall linkt aan de beweging vallen is mij een raadsel. Het klopt dat een van de betekenissen van Fall val is, maar in deze zin betekent het echt het geval. Dat stelt zijn betoog al op losse schroeven, maar sowieso vind ik dat hij te graag richting het woord vallen redeneert. Maakt niet uit of de argumentatie geworteld is, het klinkt leuk, dus gaat het denken die richting in. Hij lijkt soms vooral gericht op het maken van spektakel en zolang hij je maar snel genoeg meeneemt en je er als lezer niet stil bij staat wat er exact gezegd wordt, heeft het overtuigingskracht. Maar zodra je als lezer de tijd ervoor neemt en het aandachtig bekijkt, dan blijft er – bij mij althans – een onrustig gevoel over.

Ooit bemerkte ik dat ik de wereld niet kon gaan begrijpen met mijn denken alleen. Mijn denkkracht bleek niet voldoende. Ik kon het niet meer overzien. Ik moest een andere manier vinden om begrip te kunnen blijven ontwikkelen over het leven. Redeneren vind ik nog steeds een prima middel, maar het is te langzaam en onmachtig gebleken. Daarom ben ik op zoek gegaan naar andere manieren van denken; waarbij ik de wereld niet meer in mijn wereldbeeld probeer te passen, maar mijn wereldbeeld tracht te blijven aanpassen aan wat ik waarneem in de wereld. Mijn conclusies over het leven kunnen wijzigen onder druk van waarnemingen. Die hebben van mij het primaat gekregen. Om dat te kunnen bereiken moest ik stil van binnen worden en mij openstellen voor het waarnemen. Hij komt het dichtste bij mijn denken wanneer hij het religieuze gevoel beschrijft waarmee stilte bereikt kan worden: 'Waar de reflectieve mens alles wenst te onderzoeken totdat hij er zelf aan ten onder gaat, daar hangt de religieuze mens iedere ambitie om de wereld te doorgronden aan de wilgen. Je denkt niet meer, je spreekt niet meer. Exit logos. Het moet een heel fijn gevoel zijn om dat niet meer te hoeven.', pag. 60.
Is mijn denken religieus denken? Weet ik niet. In principe heb ik geen God nodig. Heb ik mijn ambitie laten varen de wereld te begrijpen? Nee, zeker niet. Juist niet. Wel heb ik de ambitie laten varen dat via mijn denkapparaat te doen, omdat ik ingezien heb, dat het daarvoor niet goed genoeg is. Het trekt het gewoon niet. Ik heb dat proces veel meer ervaren als het begrijpen wat redeneren kan en vermag en het niet te gebruiken waar het niet op zijn plaats is.
De stilte, die ik nodig heb om mijn waarnemingen te omgeven, kan ik niet bereiken door mij te concentreren (=via de weg van wilskracht), maar juist door wat de Chinezen bedoelen met de term Wu Wei, dat is niet-doen in de betekenis van 'jezelf-niet-aan-de-handeling-toevoegen'. Mediteren om innerlijke stilte te verkrijgen betekent voor mij in de praktijk de hele tijd mij niet mee laten nemen door mijn gedachtes die mij afleiden. Niet concentreren, niet proberen, niet nastreven, maar daarentegen niet-doen, niet-doen, niet-doen. Daarmee kan ik in een ruimte gevuld met stilte komen. Die ruimte is vredig, liefdevol en ontvankelijk voor wat er aan waarnemingen binnenkomt. Op deze manier ben ik bijvoorbeeld aan de woorden sprekersargumenten en toverlantaarnprincipe gekomen. Ik laat in mij opkomen wat ik uit wil drukken en stel mij open voor het woord dat langzaamaan verschijnt. Ik probeer dan zelf niet te denken en als een woord uit wilskracht opduikt, dan laat ik het gaan. Ik blijf dan zitten en de ruimte creëren net zolang totdat de ruimte door een woord gevuld is. Het woord toverlantaarnprincipe valt voor mijn gevoel beter met de ruimte samen dan het woord sprekersargumenten. Toch heb ik dit laatste woord aanvaard, omdat ik het heel belangrijk vind dat het woord geen retorische truc uit zou drukken. Het laat dat open en bij René heb ik het nooit als een truc ervaren, maar als een geconcentreerdheid op het huidige onderwerp.

Ten slotte had hij nog drie tips over stilte, die ik u niet wil onthouden:

  1. besef altijd dat de stilte niet in de wereld zit, maar in jezelf,
  2. besef dat de stilte je nooit plotsklaps overvalt, maar langzaam maar zeker naar binnen sijpelt, en
  3. je bent nooit alleen in je stilte, zie de tips op pag. 64 en 65.


Voor het eerst lijkt het erop dat René beseft dat de werkelijke stilte van binnenuit komt. Daarna laat hij de stilte toch weer van buiten komen en blijkt de stilte zelfs per definitie gedeeld te worden. Dat laatste vind ik heel raadselachtig. Waarschijnlijk hebben hij en ik heel andere levenservaringen omtrent stilte, want je kan mijns inziens nooit stilte met iemand anders delen zonder eerst contact met de stilte in jezelf gemaakt te hebben.
Voor mij geldt dat er twee vormen van stilte zijn: die binnenin is of die van buiten komt. De stilte die van buiten komt kan enkel opgemerkt worden als er stilte van binnen is. Zolang binnenin de onrust en het lawaai overheerst zal de stilte buiten niet opgemerkt worden. Ik kan mij voorstellen dat in een onrustig innerlijk de stilte enkel binnen kan sijpelen en dat het aanvoelt alsof de stilte binnen lekt. De stilte binnenin is er echter altijd. Het kan zo zijn dat de persoon te onrustig is om erin te verblijven. Maar de stilte zelf is er altijd en onvoorwaardelijk.

René over René en over mij

Één keer heb ik met verbazing gelezen hoe René die andere René citeerde: “Misschien gaat het om het 'ik' uit Descartes' 'ik denk, dus ik ben'?”, pag. 64. Niet 'ik twijfel, dus ik denk, dus ik ben'? Dat is een groot verschil. René Descartes kon nog wel twijfelen aan het ik denk, maar niet meer aan de beweging van de twijfel of hij dacht. Dat gaf hem zijn eerste zekerheid: verder twijfelen dan de twijfel of hijzelf dacht kon hij niet gaan. De basis van de filosofie van Descartes is derhalve geen 'ik', maar de eeuwige rusteloosheid van de twijfel. Dezelfde naam, dezelfde rusteloosheid, hetzelfde beroep, zou de een een wedergeboorte van de ander zijn?

Ik heb nu veel verteld over hoe ik René zie en schrijven heb ervaren, maar hoe zag hij mij? Hij heeft een uitspraak over mij gedaan als schaker. Die ging ongeveer als volgt: 'Ik ben altijd blij als ik Loek in het begin van de partij een blunder zie maken. Hij maakt namelijk altijd een blunder. Als hij een blunder maakt aan het einde van het spel, dan verliest hij doorgaans. Maakt hij hem in het middenspel, dan kan hij nog winnen, maar wanneer hij direct na de opening een blunder begaat, dan heeft hij de grootste kans om te winnen.' Iemand die zo'n uitspraak over mij gedaan heeft, die zit in mijn hart. :-)