Augustinus - zowaar een Christelijk achtvoudig pad.

In deze blog beschrijf ik in het kort de centrale lijn van de eerste zeven hoofdstukken en presenteer ik aan het slot alle stappen, die hij beschrijft voorafgaand aan zijn bekering. In de eerste zeven hoofdstukken beschrijft Augustinus hoe hij in zijn ontwikkeling worstelt in het vinden van de weg.

In het eerste hoofdstuk heeft hij het over de plaats van God en van hemzelf en hoe iemand, die bij voorbaat al geheel in God leeft in staat kan zijn om God aan te roepen. De mens kan zich afwenden van God, maar niet buiten God zijn. Zodra hij zich van God afwendt, ontmoet hij God weer, echter nu weet hij het niet. Dat resulteert onder meer in de volgende uitspraak: 'Want gij hebt geboden – en zo is het ook – dat iedere geest die de orde verlaat zelf zijn eigen straf wordt', blz 51-52. Als een mens een ander mens iets aandoet, dan gebeurt dat niet gratis. Dat heeft voor beide mensen gevolgen.
Daarna vervolgt hij met het beschrijven van zijn opvoeding. Hierin beschrijft hij hoe kinderen in hun spelen bestraft worden, terwijl hij vindt, dat volwassenen feitelijk niet anders handelen. Waarom de volwassene prijzen en het kind laken voor hetzelfde gedrag? De denkwereld van volwassenen zit vol tegenstrijdigheden, zoals de goedkeuring van ouders wanneer kinderen slaag krijgen, omdat zij naar een toneelstuk zijn gegaan, dat gesponsord werd door een hooggeplaatst iemand, opdat de kinderen zich weer beter zouden richten op de studie en daarmee zich later een positie kunnen verwerven, waardoor zij in staat zijn om een toneelstuk te sponsoren. Het volgende voorbeeld wordt nog sprekender als je bedenkt, dat hij zelf een beroemd retoricus is geworden: 'Als voorbeeld werden mij immers mensen voorgehouden, die beschaamd stonden om de blaam die ze opliepen door bij het vertellen van hun niet onbehoorlijke daden een bastaardwoord of een ongewenste zinsconstructie te gebruiken, terwijl ze groot gingen op de lof die ze verwierven door in zuiver Latijn en in onberispelijk gebouwde volzinnen omstandig en keurig hun wellustigheden te vertellen.', blz. 58 – 59. Zet dit naast 'Wie van de leraren in hun lange gewaden luistert echter met nuchtere oren naar iemand uit dezelfde school, die met luide stem betoogt: 'Homerus fantaseerde deze dingen en bracht menselijke eigenschappen op de goden over. Het was mij liever geweest dat hij het goddelijke op ons had overgracht.', blz. 56, en het laat zien hoezeer hij zijn eigen voorgaande positie als retoricus bespot en hoever mensen kunnen dwalen – en hoever hijzelf gedwaald heeft.
Ten slotte laat hij zien dat mensen door andere mensen aangespoord worden om hun ogen af te wenden van God. Zo wordt hij niet gedoopt, want dan worden zijn zonden hem nog niet aangerekend. 'Laat hem toch! Laat hem toch begaan! Hij is immers nog niet gedoopt.', blz. 51. Het onmiddellijke vervolg laat zien hoe onlogisch volwassenen zijn inziens kunnen redeneren: 'En toch, als de lichamelijke gezondheid in het geding is, zeggen we niet: 'Laat hem toch! Laat hem nog maar wat meer wonden oplopen! Hij is immers nog niet genezen!', blz. 51.
'Want mijn zonde lag hierin, dat ik niet in Hem, maar in zijn schepselen, in mijzelf en anderen, mijn genietingen, verheffingen en waarheden zocht en mij aldus in smarten, vernederingen en dwalingen stortte', blz. 62. Lijkt heel veel op wat in het Hindoeïsme of Boeddhisme gezegd wordt over het lijden.

In hoofdstuk 2 wordt duidelijk dat de werkelijke zonde niet de handeling is, maar de motivatie. Augustinus zelf heeft nogal wat zondes op zijn kerfstok, waaronder vrouwen aan willen zetten tot overspel – met hem. Hij gaat echter vooral in op een perendiefstal, die hij samen met vrienden uitvoerde. Het ging hem daarbij niet om de peren, die voerden ze aan de varkens, maar om de daad zelf en om tot de groep te behoren. Dat zelfs een dergelijk licht vergrijp ten opzichte van de andere door hem begaan zo erg door hem gevonden wordt, laat zien waar het hem echt om gaat: om de intentie. Het zich niet houden aan de wetten van God, maar zich baseren op oneigenlijke argumenten en mensen. Het zich richten op andere mensen ter goedkeuring is de werkelijke zonde: 'ik was bang verachtelijker te lijken, naarmate ik fatsoenlijker, en voor waardelozer door te gaan, naarmate ik kuiser was', blz. 69. 'Zo bedrijft de ziel ontucht door zich af te keren van u en door buiten u te zoeken wat ze in zuivere en heldere staat alleen maar vinden kan, wanneer ze terugkeert naar u. Op averechtse wijze wordt gij nagebootst door al degenen die ver van u weggaan en zich tegen u verheffen. Maar zelfs door u zo na te bootsen laten zij zien dat gij de Schepper zijt van alle gewordenheden en dat men daarom nergens algeheel aan u ontkomen kan.', blz. 75.
De echte emoties, de echte rust vindt Augustinus in God, al het vergelijkbare dat door mensen aangeboden wordt, geeft dat niet. Wat hij beweert is dat alles wat niet echt is, dus alle emoties, waarbij men niet met het gezicht naar God gericht is, dat dat nooit echte rust geeft. Met het gezicht naar God gericht is een taalgebruik, dat bij mij de rillingen over de rug doet lopen, de waarneming zelf – althans mijn interpretatie van zijn schrijven - kan ik mij helemaal in vinden.

In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op wat een zonde is. Een zonde is het niet gehoorzamen aan de wil van God. Augustinus is van mening dat de overgave aan de wil van God volkomen dient te zijn en een mens zich compleet op Hem dient te richten. Wat zonde is, kan in de loop van de tijd veranderen. Dat vindt zijn oorzaak in de veranderde uitdrukking wat zonde is door God, maar weerspiegelt niet een verandering van God of van wat zondig is. God is onveranderlijk.
Het hoofdstuk begint aanlokkelijk voor ons stervelingen:
'Ik kwam in Carthago en overal om mij heen rumoerden, als een kokende ketel, de onterende liefdes.', blz. 81. Daarna komt het ontluisterende vervolg: 'Mijn God, mijn barmhartigheid, met hoeveel gal hebt gij mij die heerlijkheid besprenkeld en hoe goed zijt gij daarin geweest; want ik vond liefde en kwam in de boeien van een heimelijk liefdesgenot en verheugd raakte ik vast in de rampzalige verstrikkingen, waarbij ik geranseld werd met de gloeiende ijzerroeden van jaloezie, achterdocht, angst, verbittering en ruzie.', blz. 81.
Zonde kan herkend worden, doordat zij geen rust en voldoening schenkt. Zij richt zich immers op het tijdelijke, niet op het eeuwig en onvergankelijke. Het tijdelijke is dat wat deels is en deels niet-is. Om met Augustinus te spreken, zonde maakt de ziel schurftig:
'Het ging echter met die schrammen als met nagelkrabben: ze werden gevolgd door een branderige zwelling en een verzwering en een griezelige ettering. Was het nog leven, mijn God, zo'n leven als ik leidde?', blz. 84. Een zonde komt voort uit een dwaling door meer te letten op het lichamelijke leven dan het geestelijke en door meer te letten op kennis over zaken, die door God geschapen zijn in plaats van kennis over God zelf. Het is God, die oordeelt of iets een zonde is, niet de mens. Wat de ene keer een zonde kan zijn, is dat de andere keer niet. Het is aan God om dit te beoordelen. Er zijn wetten van de natuur, de gewoonte en van God. De wetten van God gaan voor alle andere wetten. Wie zich niet aan de wetten van God houdt, belast zijn ziel. Deze wetten kent men enkel door te luisteren. Daartoe is een houding van nederige gehoorzaamheid nodig.
Dit boek gaat voort aan de hand van zijn leven. Hier beschrijft hij eveneens hoe men zich naar God kan keren en daardoor gered worden uit de dwaling. Hij is er nog niet aan toe. Hij zal nog negen jaren dwalen en daarmee zijn ziel versterven. Zijn moeder tracht hem te redden van deze geestelijke dood, die erger is dan de lichamelijke en probeert andere mensen erbij te slepen om haar zoon het juiste geloof te laten beleiden. Een priester, die evenals Augustinus een Manicheeër was geweest, weigert om de poging aan te gaan Augustinus te bekeren met de woorden 'U moet mij nu met rust laten. Zowaar u leeft, het is uitgesloten dat de zoon van die tranen verloren gaat!', blz. 100. Zowel moeder als zoon hebben dit naderhand uitgelegd als een teken van God. Tegenwoordig zou de interpretatie ietwat anders luiden.

In hoofdstuk 4 spreekt Augustinus over de situatie, dat mensen zich vaak meer laten leiden door de mening van andere mensen dan door die van God. Aan het einde van het hoofdstuk verwoordt hij dit als volgt 'Gij zult ons dragen: gij zult de kleinen dragen, want wanneer gij onze kracht zijt, is het kracht, maar wanneer de kracht onze kracht is, is het zwakheid', blz. 126. Augustinus waarschuwt in dit hoofdstuk om de ziel hierdoor te laten leiden: 'Het zijn dingen die opkomen en ten onder gaan, en opkomende als het ware beginnen te zijn en groeien om tot voltooiing te komen, en eenmaal voltooid, oud worden en ten onder gaan, en niet allemaal oud worden en wel allemaal ten onder gaan.', blz. 114. Aanvullend: “Want in uw woord, waardoor ze geschapen worden, krijgen ze te horen: 'Van hier en tot daar!'”, blz. 115. God is de rustplaats van eeuwige liefde en vreugde. Hij beschrijft zijn eigen pijnlijk bestaan toen hij moest verwerken hoe een zeer dierbare vriend van hem stierf. 'Niettemin was het een heerlijke vriendschap, gerijpt in de gloed van gelijksoortige belangstellingen. Ook van het ware geloof, dat mijn jonge vriend nog niet echt en hartgrondig aanhing, had ik hem namelijk afgebracht en hem gewonnen voor de bijgelovige en verderfelijke verhalen, die mijn moeder over mij deden jammeren.', blz. 108. Op een gegeven moment sterft deze vriend van hem en wordt hij overweldigd door rouwgevoelens: 'Ik was ongelukkig, en ongelukkig is iedere ziel in de boeien van de liefde voor vergankelijke dingen: verliest ze die, dan wordt ze verscheurd en dan wordt ze het ongeluk gewaar, dat haar ook reeds ongelukkig maakt alvorens ze die dingen verliest.', blz. 110. en 'O verdwazing, die mensen niet op mensenwijs weet lief te hebben! Domme mens die geen maat kent, wanneer het menselijke hem overkomt! Zo'n domme mens was ik toen.', blz. 111. 'Maar hoewel er in haar plaats geen andere smarten kwamen, kwamen er toch oorzaken van andere smarten. Waarom immers was die smart om mijn vriend zo gemakkelijk en zo diep in mij binnengedrongen, tenzij omdat ik mijn ziel in het zand had uitgestort door een sterfelijk wezen lief te hebben alsof het niet sterfelijk was?', blz. 112-113.
'Het goede dat gij liefhebt is van Hem afkomstig, maar het is alleen goed en zoet, voor zover het ook naar Hem toe gaat. Wordt het echter bitter, dan gebeurt dat terecht, want onrechtmatig hebben wij alles wat van Hem komt lief, wanneer wij Hem verlaten hebben.', blz. 117. Als ik dit van een modern Christen zou horen, dan zouden mijn nekharen overeind gaan staan. Zou ik het van een Boeddhist horen, dan zou ik mij ervoor openstellen. Zou ik het van een Hindoe horen, dan zou ik het exotisch vinden, bij een Taoïstisch aforisme misschien om glimlachen. Nu ik het van een kerkvader van de kerk hoor, waarbinnen ik opgegroeid en volkomen vervreemd ben, vraag ik mij af wat ik nog meer verloren heb? Dat 'Hem' zal ik nooit kunnen aanvaarden, maar ik besef dat ik in de loop van de tijd veel niet heb begrepen. Sowieso vind ik het heel lastig om dit boek te bespreken. Ik heb al zoveel tekst weggehaald. In mijn geest buitelt het over elkaar heen. Ik kom er niet uit, daarom maar dat ik Augustinus zoveel mogelijk aan het woord tracht te laten. Hij heeft een prachtig boek geschreven, waar veel momenten inzitten, waar ik stil bij kan blijven staan en ik vermoed andere mensen ook. Op dit moment hoef ik daar niets aan toe te voegen, ik wil hem zoveel mogelijk de ruimte geven gehoord te worden. Hij schrijft prachtig.
Wat mij aan dit ene boek opvalt, is dat er een wijsheid in zit, waar onze hele generatie voor naar India reist. In het Hindoeïsme bestaat het concept van Maya, wereld van illusies. In dit hoofdstuk laat Augustinus zien, waarom de lichamelijke wereld een wereld van illusies is en banden vol smarten zijn. De taal, die hij hiervoor gebruikt is prikkelend en uitdagend zoals in het laatste citaat en het citaat over de zwakheid van onze kracht. Al in eerdere hoofdstukken spreekt Augustinus over God als een licht. Ook hier doet hij dat weer: 'Dat kwam, omdat ik met de rug naar het licht bleef staan en met mijn gezicht naar de belichte dingen, zodat mijn gezicht, waarmee ik de belichte dingen onderkende, zelf niet door het licht beschenen werd.', blz. 125. Dit doet mij onwillekeurig denken aan een van de begrippen van Nietzsche: Umkerung aller Werte', dat ook al zo uitdaagt.

In hoofdstuk 5 spreekt Augustinus over het zoekt en gij zult vinden. De weg naar God is in vroomheid, niet door de schepping te kennen. 'Vroomheid is wijsheid'. Hij heeft niets tegen het verkrijgen van kennis over de wereld, behalve de vraag wat belangrijker is: kennis van de schepping of kennis van hij, die de schepping gemaakt heeft? Maar wie zich richt op het ene, dient zich niet uit te spreken over het andere en zeker niet claimen wijze uitspraken te doen over het andere kengebied op basis van kennis van het eigen kengebied. Het zijn twee onderscheiden kennisgebieden. Dit laatste is wat hij de Manicheeërs verwijt. Dat is een religieuze stroming, waar hij lang lid van is geweest. Hij verwijt hen, dat zij de juistheid van hun geloof aan wilde tonen door te verwijzen naar de kennis over de schepping, die zij hadden, terwijl Augustinus betoogde dat kennis van God en kennis van de schepping los staan van elkaar.
Een van de stellingen van de Manicheeërs is dat het Licht en de Duisternis twee verschillende, tegenover elkaar staande substanties zijn. Het Licht en de Duisternis zijn beide onbegrensd, de Duisternis op een beperktere schaal dan het Licht. Terwijl het Licht eeuwig en onveranderlijk is, is de Duisternis naderhand geschapen. De Duisternis hangt ook samen met het Kwade en het stoffelijke, reden dat Jezus volgens Augustinus in zijn Manichese periode niet uit de maagd Maria voort kon komen. Als mens zou hij namelijk altijd bezoedeld zijn door het vlees. Augustinus heeft deze zienswijze lang aangehangen. Hier laat hij het zien als een dwaling van hem. Zo fel als hij ooit Manicheeër is geweest, zo'n vurig redenaar, zo is hij nu katholiek.
Hij vertrok naar Milaan – dat toen de hoofdstad van de resten van het West-Romeinse Rijk was – en werd daar leraar in de retorica. Daar leerde hij de Bijbel te interpreteren. Hij zag in dat vele passages in de Bijbel als beeldspraken opgevat dienen te worden en niet letterlijk. Als deze passages als beeldspraken opgevat konden worden, waren ze verdedigbaar. Ingeval ze letterlijk opgevat zouden worden, dan konden ze zo weerlegd worden zoals de Manicheeërs (waaronder waarschijnlijk Augustinus) reeds vaak bewezen hadden. Aan het einde van het hoofdstuk resteert hem enkel nog maar twijfel. Er is ziekte van de geest en het Manicheïsme kan hem niet helpen en hij weet ook niet wat hem wel kan helpen. Oude filosofen kunnen niet, want zij spreken niet over Jezus Christus, dus sluit hij zich losjes aan bij de katholieke kerk.
Tijdens het lezen van dit hoofdstuk dacht ik continu aan het eerste hoofdstuk van de Ethica van Spinoza. Spinoza doet zich erg veel moeite om te bewijzen dat er maar een substantie kan bestaan. Als de Ethica niet door de Confessiones geïnspireerd is, door welk werk dan wel?

In hoofdstuk 6 behandelt hij de onjuistheid van dwaalwegen en de onontkoombare invloed van God. Ook via kronkelwegen kan God de mensen uiteindelijk leiden tot de juiste levensweg. In dit hoofdstuk beschrijft hij een aantal voorbeelden aan hoe mensen ten slotte tot inzichten kwamen en zich bezonnen op hun dwaalwegen, al leek het lang erop, dat dat nooit zou gebeuren. Augustinus beschrijft zijn eigen toestand als een verheviging van zijn ziekte: '... en bleef ik maar talmen met mij tot de Heer te bekeren; van dag tot dag stelde ik het uit in u te gaan leven en ik stelde het niet uit alle dagen in mijzelf te sterven. Met al mijn liefde voor het gelukkige leven vreesde ik dat leven op de plaats waar het was, en terwijl ik het ontvluchtte, bleef ik het zoeken.', blz. 177. Er dient een ommekeer te zijn, waardoor ogen geopend kunnen worden. Start van inzicht, doorbraak van een nieuwe kijk en denken. Feiten worden herschikt, krijgen een andere betekenis en oude zekerheden vervallen:
', toen werd ik – toch schaamrood en verheugd tegelijk bij de gedachte, dat ik al die jaren lang niet het katholieke geloof had aangeblaft, maar de drogbeelden van een vleselijk denken.' blz. 160, want Jezus is in de katholieke kerk het Woord dat in een menselijke gestalte verschenen is. Als Manicheeër heeft hij dat nooit begrepen. Dit begrijpen was voor Augustinus de ommekeer, waardoor hij zich ging openen voor toetreding tot de katholieke kerk. Hij ging regelmatig luisteren naar de preken van Ambrosius, de bisschop van Milaan.'En met vreugde hoorde ik ook Ambrosius in zijn preken voor het christenvolk herhaaldelijk zeggen, alsof hij daarmee nadrukkelijk een richtlijn aangaf: 'De letter doodt, maar de geest maakt levend'.', blz. 161. Deze kwestie heeft hem zeer diep aangegrepen getuige '...alhoewel hij dingen zei waarvan ik nog niet wist of ze juist waren; ik weerhield namelijk mijn hart van alle bijval, bevreesd als ik was om in de diepte te vallen, en die zwevende toestand werd nog dodelijker voor mij: dat kwam, omdat ik van de dingen die ik niet zag even zeker wilde worden als ik er zeker van was, dat de som van zeven en drie tien is.', blz. 161. Hij is veeleisend.
Maar hij beseft ook, dat geloven inhoudt, dat de kerk eisen aan hem stelt. 'Met dat al gaf ik sindsdien reeds de voorkeur aan de katholieke leerwijze: ik merkte dat er geloof werd geëist aan wat niet werd aangetoond, ...En daarna, Heer, zijt gij met uw tedere en barmhartige hand mijn hart blijven plooien en schikken; gij hebt mij laten overwegen, hoe onnoemelijk veel ik geloofde zonder het te zien en zonder aanwezig te zijn geweest..', blz. 162. Al geeft hij zijn geloof niet zomaar aan de katholieke kerk: '...: nu ik van veel bijbelplaatsen een bevredigende uitleg had gehoord, was ik al geneigd die ongerijmdheid in verband te brengen met de verhevenheid van de geheimen en kwamen mij die documenten juist eerbiedwaardiger voor en van een onaantastbaarder geloofwaardigheid, omdat ze enerzijds voor allen gemakkelijk te lezen waren, anderzijds de verhevenheid van hun geheim in een dieper liggende betekenis verborgen hielden: door hun duidelijke woorden en simpele spreektrant bleven ze voor iedereen toegankelijk en toch riepen ze ook de denkkracht in het geweer van hen die niet luchtig van hart zijn; zodoende kon de Schrift allen in haar algemene schoot opnemen en toch langs nauwe doorgangen enkele weinigen tot u laten komen;', blz. 163-164. Zijn eigen boek, Confessiones, heeft eenzelfde gelaagdheid door tegelijkertijd een prachtig geschreven verslag te zijn van zijn weg tot het katholicisme en dieperliggend een uitleg te zijn wat de kern van geloven en de kern van het katholicisme is. Hoe kan het ook anders, als hij geniet van zijn ontdekkingen in de Schrift en deze verrukking met anderen wil delen? Hoe kan je dat beter delen dan door op eenzelfde wijze te schrijven?
In mijn beleving daagt hij de lezer uit, wanneer hij – Augustinus, de geëerde bisschop - beschrijft hoe streng hij zichzelf beoordeelt. Wie is laakbaarder? De bedelaar, die geniet van zijn dronkenschap, dat hij verkregen heeft door anderen goeds toe te wensen, of Augustinus zelf, die tracht roem te vergaren, desnoods door vakkundig te liegen? In Augustinus ogen is de holle vreugde van de bedelaar te verkiezen boven zijn eigen zoektocht naar geluk – daar hem die geen geluk brengt en niet met de juiste handelingen gepaard gaan – maar zal hij desalniettemin liever zuchten onder zijn eigen juk van stress en leugens dan het leven van de bedelaar te leven. Beide wegen zijn niet gericht op God. De weg van de bedelaar is gelukkiger en hij vermaant zichzelf dat hij zijn eigen ongeluk boven het geluk van de bedelaar stelt. Die bedelaar verdient zijn geld door te trachten mensen te behagen (door goed te wensen), waar Augustinus zijn geld en roem tracht te vergaren door aan de mensen te behagen (door prachtig te liegen). De bedelaar geeft, Augustinus verlangt terug. En op het moment dat ik als lezer mij voorzichtig herken in zijn houding naar de bedelaar en zichzelf, dan komt hij met 'En daarom waart gij ook bezig mijn beenderen te breken met de roede van uw lering', blz. 166. God staat altijd klaar om te helpen.

In hoofdstuk 7 zet hij de laatste stap voordat hij de grote stap van de bekering uitvoert. Hij bevrijdt zich uit zijn boeien. Hij weerlegt voor zichzelf definitief het wereldbeeld vanuit het Manicheïsme en opent hiermee de enig overgebleven weg naar het Christendom. Groot probleem voor Augustinus was het begrijpen van het kwaad. In het Manicheïsme is dat een aparte entiteit, die losstaat van God. Wil Augustinus zich kunnen bekeren tot het Christendom, dan dient hij hier een adequaat antwoord op te hebben. Het eerste antwoord is een heel nuchter antwoord: als God onveranderlijk en goed is, hoe kan hij dan de strijd aan moeten en willen gaan met het veranderlijke en kwade? Hij heeft dat niet nodig. Wat is dan de positie van het kwaad? 'Wie heeft dat in mij gelegd en heeft in mij die tuin van bitterheid geplant, terwijl ik toch geheel en al het maaksel was van mijn God, die louter zoetheid is?', blz. 191. 'En ik zocht maar, waar het kwaad vandaan kwam, en ik zocht het op een kwade manier en zag maar niet dat het kwade in mijn zoeken zelf', blz. 192 – 193. Ik vind dit een prachtige beschrijving hoe de wens van een antwoord te krijgen op een vraag, de oorzaak kan zijn van het vinden van een antwoord. Wie het kwaad zoekt, zal het vinden. Waarom ga je dan op zoek naar het kwaad? Is het dan prettig om te vinden? De oplossing van Augustinus voor het kwaad is dat er geen kwaad bestaat. Dat wat als kwaad ervaren wordt zijn zaken, die bij elkaar komen en op dat moment niet met elkaar harmoniëren. Deze niet-harmoniërende zaken kunnen afzonderlijk genomen wel met andere zaken harmoniëren en zelfs in zichzelf goed zijn. Blijft van het zondig zijn van de mens – en zeker van elke baby op de eerste dag van bestaan - na deze redenering weinig over. Maar die conclusie verbindt hij er zelf niet aan.
IJdelheid, hovaardigheid, hoogmoed zijn de valkuilen van Augustinus' geest, waardoor hij God niet kon waarnemen. 'En al zoekende naar wat eigenlijk de ongerechtigheid, de slechtheid was, kwam ik tot de bevinding dat het geen substantie was, maar een verkeerdheid van de wil die zich afgewend heeft van de hoogste substantie, van u die God zijt, en zich heeft gekeerd naar de laagste dingen, zijn innerlijk vergooiend en opzwellend naar buiten.', blz. 209.
De weg naar God is anders: 'Leert van mij dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart, en gij zult rust voor uw zielen vinden', blz. 203. 'Ik ben de spijs van de groten: groei en gij zult mij eten. En gij zult niet mij doen veranderen in u, gelijk het voedsel van uw vlees, maar gij zult in mij veranderen', blz. 205. Dit vind ik een zeer centrale zin. Hier wordt in vele religies op gezinspeeld. Hier staat het heel helder beschreven. Tevens laat dit zien, waarom de geest boven het vlees gesteld wordt en men zich afkeert van het lichamelijke mens-zijn.
Tot slot een mooie omschrijving van de weg:
' - dat is iets anders dan de weg naar het vaderland te houden, die gebaand is door de zorg van de hemelse heerser, een weg waar geen roverij wordt gepleegd door deserteurs uit de hemelse krijgsdienst, omdat die deze weg mijden als een kwellende straf', blz. 216. Een strijder is ijdel, want wil meer dan waar hij recht op heeft. De weg naar God leidt over een weg, waarin je af moet zien van meer te willen. Geen strijder zal dit pad af willen lopen of begerig zijn ogen er op laten rusten. Het is een veilig pad. Het is het pad zonder strijd, het pad van de volledige overgave, vol vertrouwen in God. Later verwoordt Augustinus dit op een heel scherpe wijze en dan blijken er inderdaad mensen te zijn, die hier grote aversie tegen hebben.

Kort resumerend:

  1. God is overal. Je kan je richten op God of niet, je van hem afwenden of naar hem toekeren. In beide gevallen is hij er,
  2. Zonde is niet perse gelegen in de handeling, maar in de motivatie. Een zonde geeft niet de rust, die gehoorzaamheid aan Gods wetten geeft,
  3. God bepaalt wat een zonde is, niet de mens. Gehoorzaamheid aan Gods wet is de hoogste vorm van gehoorzaamheid.
  4. Directe banden aangaan met andere sterfelijke wezens en niet God in hen liefhebben en waarderen veroorzaakt pijn aan de ziel. Elk genot draagt toekomstig smart in zich,
  5. Er bestaat kennis over God, de schepper, en kennis over de schepping. De kennis, die ertoe doet, is de kennis over God. Al het andere zijn menselijke dwalingen,
  6. God geeft continu boodschappen af. Het is aan de mens om er naar te luisteren. Hij geeft ook boodschappen af aan hen, die zich van Hem afgekeerd hebben. Als je het pad van God volgt, dan kom je uit bij God.
  7. Er is maar een God en Hij verlangt dat je nederig naar Hem bent, zoals Hij naar jou is. Laat je door Hem voeden en je verandert in Hem. Strijd niet meer.
  8. Als je ten slotte nog uit het moment van bekering het verzaken aan het vleselijke toevoegt, waarmee bedoelt wordt zich te richten op de eeuwige vreugde van God in plaats van het nastreven van tijdelijke genoegens, dan ontstaat zowaar een Christelijk achtvoudig pad.