God is niet van deze tijd

In dit hoofdstuk bespreekt Augustinus het raadsel van de tijd. Nadat hij tijd gefileerd heeft van elke omvang wordt het raadsel alleen maar groter. Het belang van het nadenken over deze vraag komt uit de verwondering hoe God ooit de hemel en aarde heeft kunnen ontwerpen en tegelijkertijd eeuwig en onveranderlijk schijnt te zijn. Want als er ooit een tijd heeft bestaan dat er geen hemel en aarde is geweest en God deze vervolgens (op zeker tijdstip) geschapen heeft, dan is de wil en de kennis van God in de tijd veranderd en is God derhalve niet eeuwig en onveranderlijk. Het belang van het antwoord op deze vraag is daarmee hoe zaken kunnen veranderen als God oorzaak van alles is en Hij verondersteld wordt eeuwig en onveranderlijk te zijn? 'En daarom is Hij het begin, want indien Hij niet blijvend was, zouden we al dwalende niets hebben om naar terug te keren', blz. 352.

Augustinus had bij voorbaat een retorisch antwoord kunnen geven, zoals hij dat doet aan het einde van het hoofdstuk: “Geef hun, Heer, dat ze goed bedenken mogen wat ze zeggen en dan ontdekken dat er geen sprake is van 'nooit' waar geen tijd is. Van wie dus gezegd wordt dat Hij 'nooit' iets gemaakt heeft wordt dus niets anders gezegd dan dat Hij in geen tijd iets gemaakt heeft. En mogen zij dus zien, dat er zonder geschapenheid geen tijd bestaanbaar is, en mogen zij dan ophouden met die zinledige praat!”, blz. 376. Was hij daarmee begonnen, dan had hij het daarbij kunnen laten, maar daar is hij de man niet naar. Laat ik daarom terugkeren naar het begin van het hoofdstuk, toen hij over tijd begon: 'U behoort de eeuwigheid, Heer, en de dingen die ik u zeg, zijn u dus zeker niet onbekend, en evenmin ziet gij tijdsgewijs wat in de tijd gebeurt. Waarom doe ik u dan omstandige verhalen over zoveel dingen?', blz. 345. De opdracht die Augustinus zich in dit hoofdstuk getroost is deze: “Zie, mijn God, waar mijn verlangen dan wél mee te doen heeft: 'De ongerechtigen hebben mij hun genoegens verteld, maar het haalt het niet bij uw wet, Heer.' Ja, dáár heeft mijn verlangen mee te doen. Zie het, Vader, zie het aan en geef uw instemming en moge het aangenaam zijn voor het aanschijn van u, de barmhartige, dat ik bij u genade vind, opdat de verborgenheden van uw woorden mij op mijn kloppen ontsloten mogen worden.”, blz. 347.

Ik weet niet of hij de eerste was met de hierna volgende redenering, maar hij past een vergelijkbare redenering op de tijd als Zeno doet met de verplaatsing van de pijl. Zeno liet zien dat elke verplaatsing opgesplitst kan worden in steeds kleinere verplaatsingen en dat deze reeks tot in het oneindige doorloopt. De vraag of je een verplaatsing kan bewijzen aan de hand van de verplaatsing is daarmee onmogelijk geworden, daar elke keer opnieuw het verschil tussen twee verplaatsingen verklaard dient te worden. En ook al kunnen we zien dat de pijl zich verplaatst, verklaren kunnen we het niet. We kunnen verklaren waarom een pijl stilstaat in de lucht, maar niet verklaren hoe hij zich verplaatst door de lucht. Andersom geldt ook: als we ons richten op het meten van de snelheid van de pijl, dan kunnen we niet bepalen waar de pijl zich op enig moment bevindt. Overigens verwijst hij niet naar deze paradox van Zeno.

Hetzelfde geldt, zo laat Augustinus zien, voor de tijd. Het verleden is niet meer, en de toekomst moet nog komen. De uitgebreidheid van het heden stelt niets voor, wat blijft er over? Hier spreekt Augustinus op de grens van wat in een taal uitgedrukt kan worden, getuige bijvoorbeeld 'Alle tijden zijn door u gemaakt en vóór alle tijden zijt gij, en er is nooit een tijd geweest dat er geen tijd was.', blz. 356. De kern van de moeilijkheid bij het meten van tijd komt goed tot uiting in de volgende zin 'Onze jaren hier zullen pas al onze jaren hier zijn, wanneer ze alle niet-zijn.', blz. 356.
Het is niet zo eenvoudig te meten dat wat bestaat uit onmetelijk korte momenten van wat is en verder niet is. 'Maar wanneer wij waarnemend meten, dan meten we tijden die aan het voorbijgaan zijn. Met voorbijgegane tijden, die niet meer zijn, of toekomstige tijden, die nog niet zijn, staat het anders: wie kan ze meten, tenzij iemand zal durven zeggen dat gemeten kan worden wat niet is?', blz. 360. Het verleden en de toekomst kunnen enkel indirect waargenomen worden en worden dan (her)beleefd als wat er op dat moment gebeurt: 'Maar misschien zouden we in eigenlijke zin kunnen zeggen dat er drie tijden zijn, wanneer we bedoelen: een tegenwoordige tijd van het verleden, een tegenwoordige tijd van het tegenwoordige en een tegenwoordige tijd van het toekomstige. Er is namelijk in de ziel een soort drietal – elders dan in de ziel zie ik het niet – bestaande uit de volgende dingen: de tegenwoordige herinnering van het verleden, de tegenwoordige aanschouwing van het tegenwoordige en de tegenwoordige verwachting van het toekomstige.', blz. 363-364.

Het meten van de tijdsduur maakt hij op even absurdistische wijze onmogelijk om voor te stellen. Hoe kan een tijd gemeten worden, als er geen toekomst bestaat, het heden geen uitgebreidheid heeft en het verleden niet meer is? Wanneer kan er gemeten worden? In het voorbijgaan? Klinkt logisch, totdat hij zegt: 'In welke uitgestrektheid meten we dus de voorbijgaande tijd? In de toekomst, waaruit komend hij voorbijgaat? Maar wat nog niet is meten wij niet. In het tegenwoordige, waardoorheen hij voorbijgaat? Maar wat geen uitgestrektheid heeft meten wij niet. In het verleden dan, waarheen hij voorbijgaat? Maar wat niet meer is meten wij niet.', blz. 365. Aardig wetenschappelijk, die oude kerkvader. 'Belijdt niet mijn ziel u met een belijdenis die waarheid spreekt, dat ik tijden meet? Werkelijk, Heer mijn God, meet ik, en weet ik niet wat ik eigenlijk meet?', blz. 369. Een type vraag, die we ons vaak kunnen stellen. Wie kent zichzelf, kan de ander doorgronden, wat er werkelijk aan de hand is, wat liefde is, wat geloven is? Hij krijgt het voor elkaar deze vraag te stellen bij een pijler van ons bestaan. Ok, we kunnen niet op water lopen, maar wel meten wat niet bestaat zonder te weten wat het is.
Tijd zelf kan dus niet gemeten worden met het voorbijgaan van de tijd. Augustinus komt met de oplossing van de ziel. De ziel meet de tijd via de indrukken die de dingen in hun voorbijgaan maken. 'Niet een toekomstige tijd, die nog niet is, is dus lang, maar lang in de toekomst is een lange verwachting van toekomst; en een verleden tijd, die niet meer is, is evenmin lang, maar lang in het verleden is een lange herinnering aan verleden.', blz. 374 – 375.

En nu komt het gedeelte, waar Augustinus en Spinoza uiteen gaan. Volgens Spinoza is de wil van God altijd volmaakt, want kan God niets anders doen dan wat Hij wil doen. Logisch gevolg daarvan is, dat vrije wil niet bestaat, want God is de oorzaak van alles, alles bevindt zich in God en dus gebeurt alles op elke ogenblik in perfecte overeenstemming met de wil van God. 'Nochtans is er geen sprake van dat gij, de schepper van het heelal, de schepper van de zielen en de lichamen – er is geen sprake van dat gij alle verleden en toekomstige dingen aldus zoudt kennen. Veel, veel wonderlijker doet gij het en veel onbegrijpelijker!... ...Zoals gij dus in het begin de hemel en de aarde gekend hebt zonder wisseling in uw kennis, zo hebt gij ook in het begin de hemel en de aarde gemaakt zonder verdeeldheid in uw handelen.
Laat hem die dit begrijpt u lovend belijden, en laat ook degene die het niet begrijpt u lovend belijden.'
, blz. 377. Volgens mij staat hier beschreven dat God onaangedaan is door elke verandering, terwijl Spinoza beweert dat elke verandering aangedaan is door God. Augustinus heeft daardoor de ruimte voor een vrije wil, waarin de mens de keuze heeft zich tot het licht of de duisternis te wenden, terwijl bij Spinoza elke handeling direct of indirect een gevolg is van het perfect noodzakelijk handelen van God.
En eigenlijk staat er ook dat Augustinus niet begrijpt hoe God kan kennen zonder dat Zijn kennis verandert en kan handelen zonder van elkaar te onderscheiden bewegingen kan maken. Mooi dat hij erkent dat hij het niet kan begrijpen.