God heeft u niet nodig, u wel God

In hoofdstuk 11 wordt de eeuwigheid van God voor het licht gehouden, in hoofdstuk 12 wordt Jezus Christus, zijnde het begin, in het licht gezet en in dit hoofdstuk laat Augustinus zijn licht schijnen over het derde deel van de Heilige Drie-eenheid, zijnde de Heilige Geest. (Daarom valt er ook wel wat te zeggen voor de stelling dat het tiende hoofdstuk er later aan is toegevoegd en er oorspronkelijk niet bij hoorde.) In Genesis wordt de Heilige Geest bekend gemaakt door te beschrijven hoe Hij zweeft boven de wateren, wat uitgelegd kan worden als de boven alles verheven weg van de liefde.

De titel is voor mij het raadsel van God: als Hij volledig vervuld is van zichzelf, waar komt dan de behoefte vandaan voor de schepping? Het antwoord op die vraag is tevens het antwoord op de vraag welke relatie je met God aan kan gaan. Ook in dit hoofdstuk geen antwoord, maar wel een beeld. 'Niet vanwege een tekort bij u hebt gij ze gemaakt, maar uit de volheid van uw goedheid, hen betomend en bekerend tot een vorm, waarbij het er niet om ging, dat door hen uw vreugde als het ware vervolledigd werd. Gij zijt namelijk volmaakt, …', blz. 422.

Augustinus beschrijft de afhankelijkheid in de relatie met God zo: 'Want nodig hebt gij mij niet gehad, en ik ben ook niet een dusdanig goed, dat gij met mij gebaat zou zijn, mijn Heer en mijn God. Gij hebt mij ook niet nodig om u zo te dienen, alsof ik ervoor moest zorgen dat gij niet moe wordt van uw werk of dat uw macht niet geringer wordt bij gebrek aan mijn hulp.… ...Neen, ik moet u dienen en mij aan u wijden, opdat het mij goed ga, dank zij u, van wie ik heb, dat ik zo ben, dat het mij goed kan gaan.', blz. 419. Van de twee is er exact een die afhankelijk is.

God is goed en de mens heeft een keuze: zich te richten op God of zich te richten op het aardse leven. In het eerste geval leeft hij volgens de wil en wet van God, in het andere geval de aardse wil. Het is de keuze van de mens om zich naar het gezicht van God te wenden of juist niet. Als de mens dat niet doet – en dat is de standaard – dan is de situatie volgens Augustinus 'Het is de onreinheid van onze geest die neerwaarts zinkt door de liefde tot de bekommernissen, en het is de heiligheid van uw Geest die ons opwaarts heft door de liefde tot de onbekommerdheid en die aldus maakt dat wij hoog ons hart hebben, bij u, waar uw geest boven de wateren zweeft, en dat wij komen tot de boven alles verheven rust, wanneer onze ziel de wateren zonder wezen zal zijn doorgegaan.', blz. 424. Het water zonder wezen is de poel van zondes, omdat een zonde zelf niets is (daar enkel God is). Dit lijkt een te makkelijk opgezette zelfvervullende voorspelling, omdat de aardse wil enkel negatief gedefini”eerd wordt, namelijk zijnde de wil waardoor de mens zich afwendt van God. Dat is dan de keuze van de vrije wil: of je geeft je over aan God en laat je door hem leiden op het pad van vrede en innerlijke rust of je gaat je eigen gang en doet wat je zelf denkt dat goed voor je is en je wordt gestraft met innerlijke onrust en onvrede. Geef je over aan God en je wordt gelukkig, doe wat je zelf wilt en je wordt veroordeeld en ongelukkig. Dat is geen keuze. En toch blijken zovele mensen standaard voor de ongelukkige kant te kiezen. Lees ik door met deze vraag in het achterhoofd, kom ik de volgende zin tegen:
'Wie dit begrijpen kan, moet het u maar vragen. Wat heeft het voor zin, dat hij mij lastig valt? Ben ik soms degene die ooit een mens verlicht die in deze wereld komt?', blz. 427. 'En de mensen disputeren maar en strijden maar, terwijl toch niemand zonder vrede dat gezicht te zien krijgt.', blz. 427. Alsof hij het over een goede bekende van hem heeft, mysterieus.

Hierna stelt Augustinus de mens direct de vraag over zijn, weten en willen om hem het mysterie van de Heilige Drie-eenheid aan te reiken. Zijn, weten en willen zijn onafscheidelijk met elkaar verbonden en toch zijn zij van elkaar onderscheiden en te onderscheiden. Maar zelfs als iemand in staat is om dit helemaal te doorgronden, laat iemand dan niet denken dat hij iets weet over het onveranderlijk zijnde dat het menselijk zijn te boven gaat en dat het iets zegt over de Heilige Drievuldigheid. (Ik kan mij voorstellen dat deze vraag Spinoza heeft geInspireerd voor zijn eerste hoofdstuk van de Ethica.) Zijn, weten en willen zijn pijlers van het menselijke bestaan; als hij later spreekt over de bovenhemelse scharen van engelen, die eeuwig het aangezicht van God zien, dan beschrijft hij hun houding als lezen, noemen, lief hebben. Dat interpreteer ik als lezen verhoudt zich ten opzichte van zijn als zich schikken tot individualiteit, noemen tot weten als zien tot interpreteren en lief hebben tot willen als onvoorwaardelijk omarmen tot voorwaardelijk tegemoet treden.
Er zit een verschil tussen het niveau waarop de engelen bestaan en waar wij in leven. Volgens Augustinus zijn wij niet in staat om God's woord te aanschouwen zoals het is, lijken wij niet op Hem zoals wij kunnen, omdat wij niet verder kunnen kijken dan ons firmament en niet meer kunnen lezen dan de woorden in het boek.

Augustinus vergelijkt wijsheid met de dag en kennis met de nacht. Dat wat gekend wordt verschijnen als sterren aan de hemel. Later noemt hij dag en nacht het onderscheid tussen de gerechten en ongerechte zielen.

Nog een vergelijking, die vaker in het Christendom terugkeert: de wilde dieren die mak zullen zijn, de tamme dieren die gedwee zullen zijn en de slangen die onschadelijk zullen zijn. Vooral de eerste twee ken ik, zoals de wolf die speelt met het lam bij de geboorte van Christus. Hier staat als verklaring dat de wilde dieren staan voor de hoogmoed, de tamme dieren voor de wellust en de slangen voor de giftige kennis van de wetenschap.

Schreef ik eerder dat Augustinus wetenschappelijke kennis als een andere vorm van kennis ziet, nu blijkt voor de tweede keer dat hij deze vorm van kennis niet waardeert. Deze drie soorten handelingen laten de ziel sterven, dat is zich richten op het aardse en blijft daarmee verstoken van voeding. In een levende ziel zijn er nog steeds slangen, tamme en wilde dieren. Zij gedragen zich echter anders. De wilde dieren zullen zich zachtmoedig gedragen 'In zachtmoedigheid moet gij uw werken volbrengen en gij zult bij alle mensen bemind worden.', blz. 443. De tamme dieren zullen geen overdaad hebben als ze eten en geen nood als ze niet eten. De zucht naar meer kennis van de slangen zal haar rust vinden zodra via de tijdelijke zaken inzicht is verkregen in de eeuwigheid. Dit resulteert in een houding van kuisheid, vasten en vrome gedachten.

Het was frappant voor mij om voor een gelovige eenzelfde beeld te krijgen vanuit de yoga sutra's van Patanjali als door Augustinus. Beiden spreken over een gelovige in termen van braakliggend terrein. In beide geloofsovertuigingen wordt gesproken over het verwijderen van het onkruid. In beide geloven wordt gesproken over het laten groeien van vegetatie op plaatsen waar het gewenst is. Is het bij Patanjali echter het eindpunt, bij Augustinus is het het startpunt van geloof. De volgorde is daarbij anders: waar in de yoga sutra's van Patanjali het stadium van de braakliggende grond als einddoel wordt gezien, wordt het braakliggende grond door Augustinus gezien als het land, dat klaar is om de wet van God te ontvangen, waarna dit land vrucht zal dragen.
De zee is de gemeenschap van verbitterden, die eeuwig door elkaar heen stromen, 'al golven zij ook her en der in een ontelbare verscheidenheid van zorgen en bekommerinissen.', blz. 433. Het land, het droge land daarentegen, is 'de zielen echter die naar u dorsten en die zich aan u vertonen, de zielen die van de gemeenschap van de zee onderscheiden zijn door hun ander doelwit – die zielen bevloeit gij met water uit een verborgen bron, een zoetwaterbron, zodat ook het land zijn vrucht kan geven', blz. 434. Komt weer die vrucht tevoorschijn, die al eerder als belangrijkste resultaat van handelen gezien werd. Aan de vrucht herkent men de zonde. 'Maar eerst – zegt gij tot ons – moet gij u wassen, moet gij rein zijn, moet gij de boosheid wegdoen uit uw zielen en uit het gezicht van mijn ogen, zodat de droge grond zich kan vertonen.', blz. 436-437.

Het volgende doet mij denken aan het zeemonster in Openbaringen: 'En met die heilige tekens gepaard zijn grote wonderdaden geschied, die als machtige zeedieren zijn..', blz. 439. 'Laat derhalve uw dienaren nu op het land werken; laat hen daar niet, zoals in de wateren van het ongeloof, verkondigen en spreken door wonderen en heilige tekens vol mysterie, waarbij de onwetendheid, die moeder van de verwondering, in vrees voor de verborgen tekens aandachtig wordt – …', blz. 441-442. Wat zowel zeemonsters als wonderen een heel andere duiding geven. :-)

Eerder haalde ik de uitspraak van Augustinus aan 'Geef wat gij beveelt en beveel wat gij wilt.', nu laat hij Jezus zeggen 'Hervormt u door vernieuwing van denken, opdat gij bij uzelf moogt nagaan, wat de wil van God is, wat goed is en welgevallig en volmaakt.', blz. 444. De toonzetting is nogal verschillend, maar de strekking van beide boodschappen lijkt veel op elkaar. Zoals Augustinus meermalen betoogt heeft dat de mens tot zonde geneigd is en in zonde geboren wordt, nu schrijft hij 'omdat wij uw maaksel zijn, geschapen tot goede werken', blz. 445.

O zo streng gelovig is hij, vurig strijder tegen ketterij en andere meningen en dan weer verrassend flexibel in zijn standpunt: “En wees nu opnieuw aandachtig, ieder die dit leest! De Schrijft biedt ons nu op 'e'en wijze iets aan en haar stem klinkt:'In het begin maakte Gode de hemel en de aarde.' Wordt dit soms niet op verleid wijzen begrepen, niet in de onjuistheid van dwalingen, maar in verschillende soorten verklaringen? Zo groeit en vermenigvuldigt zich het kroost der mensen!”, blz. 448.

'Ook immers bij de schenkers van die gaven bestaat de vrucht niet in at ze geven, maar in de gezindheid waarmee ze geven.', blz. 451. 'Van u heb ik geleerd, mijn God, onderscheid te maken tussen de gift en de vrucht. De gift is het ding op zich, dat gegeven wordt door wie deze noodzakelijke behoeften aan een ander doet toekomen:... De vrucht daarentegen is de goede en goed-gerichte wil van de gever.', blz. 453. En dan lijkt Augustinus er opeens naast te zitten en niet te denken in de lijn van zijn eigen woorden. Dat is verrassend. Het kan aan de vertaling liggen, misschien dat hij het anders zegt. Het gaat om Matthe”us 10:41 'Wie een profeet ontvangt als profeet, zal het loon van een profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige ontvangt als rechtvaardige, zal het loon van een rechtvaardige ontvangen.' Hij schrijft dat de vrucht is, dat men dit doet, omdat het een profeet is. Maar dat is nou net niet de vrucht en dat staat er ook niet. Er staat wanneer men een profeet ontvangt als een profeet, ofte wel dat men de profeet erkent als profeet en met alle eerbied voor een profeet ontvangt. De vrucht is de houding waarmee iets gedaan wordt. Een aantal apostelen is de marteldood gestorven, omdat ze apostelen waren. Zij zijn toen niet behandeld als apostelen. Het zou wat zijn. Verderop schrijft hij 'de gevers doen die dingen namelijk niet met een heilige en welgerichte wil, en de ontvangers verheugen zich niet over hun giften, waarin ze nog geen vrucht ontwaren. De geest immers wordt gevoed door datgene waar hij zich over verheugt. En daarom eten de vissen en de zeemonsters ook geen spijzen die het land pas doen ontspruiten, nadat het van de bitterheid der zeegolven is onderscheiden en gescheiden.', blz. 454. En dit is weer in overeenstemming met zijn eerdere beweringen over het verschil tussen gift en vrucht. Hier staan vissen en zeemonsters voor ongelovigen en heidenen.

Nog een keer het onderscheid tussen mensen en engelen, zij die zijn en zij die lezen '… en hebt gij het gezag van uw boek als een firmament bevestigd tussen de hogere schepsels, die uw lering moesten ontvangen, en de lagere, die zich moesten schikken onder het gezag van dat boek.', blz. 460. 'En daarna hebt gij de levende ziel van de gelovigen gevormd, doordat de kracht van de onthouding hun gemoedsbewegingen had geordend; en gij hebt hun geest, die dientengevolge aan u alleen onderworpen was en die geen menselijk gezag van node had om na te volgen, vernieuwd naar uw beeld en gelijkenis...', blz. 460.

De laatste alinea van dit prachtige boek met zijn vele lagen:
'En dit te begrijpen: wie van de mensen zal het aan een mens geven? Welke engel aan een engel? Welke engel aan een mens? Aan u moet gevraagd worden, in u moet het gezocht worden, bij u moet geklopt worden: dan, ja dan zal het verkregen worden, dan zal het gevonden worden, dan zal er worden opengedaan.', blz. 462.