Alle Wegen leiden naar Rome

Reeds in hoofdstuk 11 wordt al geduid dat Jezus symbool staat voor het Woord en daarmee het begin, getuige 'onze Heer Jesus Christus, uw Zoon, de Man aan uw rechterhand, de Mensenzoon, die gij u hebt aangesteld als middelaar tussen u en ons, door wie gij ons gezocht hebt, ook al zochten wij u niet, door wie gij ons echter gezocht hebt om ons naar u te laten zoeken, uw Woord, waardoor gij alles hebt gemaakt...', blz. 347, en daarmee alle wijsheid 'bij Hem (hier wordt Jezus bedoeld), in wie al de schatten van de wijsheid en het weten verborgen zijn. Die schatten zijn hetgeen ik in uw boeken zoek.', blz. 348. Eens een redenaar, altijd een redenaar en tegelijkertijd een Christen.
Is het menselijk spreken te verdelen in korte en lange klanken, het Woord van God is zonder begin en einde. Op hoeveel verschillende manieren het zich mag uiten, het is hetzelfde woord, want het Woord van God is onveranderlijk. 'In dit begin, o God, hebt gij de hemel en de aarde gemaakt, in uw Woord, in uw Zoon, in uw kracht, in uw wijsheid, in uw waarheid, op wonderbaarlijke wijze sprekende en op wonderbaarlijke wijze makende. Wie zal het begrijpen? Wie zal het vertellen?', blz. 353.
Weer in hoofdstuk 12:
'Want de hemel en de aarde hebt gij niet uit u gemaakt: wat uit u was, zou immers gelijkstaan met uw eniggeborene en zodoende ook met u, en het zou op geen enkele wijze te rechtvaardigen zijn dat het niet met u gelijkstond. En iets anders buiten u was er niet om ze daaruit te maken, God, ene drievuldigheid en drievuldige eenheid.', blz. 384-385. Meer dan 1200 jaren later zal Spinoza uit dezelfde waarneming concluderen dat de werkelijkheid en God met elkaar samenvallen.

In dit hoofdstuk bespreekt Augustinus de hiërarchie in de schepping en de diversiteit van de waarheid. Overgang van hetzelfde dat eeuwig is naar dat wat niet-is en geschapen is vanuit het niets. Spinoza worstelt hiermee. Augustinus niet. Hij onderscheidt drie niveaus van zijn:

  1. het eeuwig en onveranderlijk zijn van God. God is de enige, die zo is. Zijn wijsheid is de scheppende wijsheid. Al het andere is veranderlijk, dat wil zeggen heeft ooit een begin gehad.
  2. Het volgende niveau van zijn is het veranderlijke, dat zo sterk gericht is op het eeuwige, dat het zelf niet mee verandert. Dat is het huis van God en noemt Augustinus de hemel van de hemel, Jeruzalem, de zuivere geest, de geschapen wijsheid. De hemel van de hemel staat buiten de tijd, maar kent wel een begin, want is ooit door God geschapen, maar doordat hij zich totaal richt en overgeeft aan God is deze hemel eeuwig geworden en is hij het verlichte licht.
  3. Tenslotte is er het zijnsniveau van de aarde. Hier is de duisternis, wat gelijk staat aan het ontbreken van licht. Uit zichzelf zend het tijdelijke geen licht uit, tenzij het gericht is op het verlichtende licht zelf.

Verrassend, maar in dit kader begrijpelijk, is zijn bewering dat God de mens niet naar zijn gelijkenis gemaakt heeft: '... en gij hebt niet uit uzelf uw gelijkenis gemaakt, de vorm van alle dingen, maar uit het niets hebt gij een ongelijkenis gemaakt, die door uw gelijkenis vorm kon krijgen in terugkeer tot u, de Ene, overeenkomstig de geordende ontvankelijkeid, al naargelang het aan elk wezen in zijn soort gegeven is;...', blz. 410. Op zielsniveau, dat is dat deel van het bestaan waar het zijn inziens werkelijk om draait, daar kunnen mensen op God gaan lijken door zich exclusief op hem te richten. 'Zelf wil ik mijn leven niet zijn: uit mijzelf heb ik slecht geleefd, de dood ben ik voor mijzelf geweest: in u kom ik weer tot leven. Spreek tot mij, gij, en laat mij uw woorden horen. Ik heb uw boeken geloofd en hun woorden zijn zeer geheimzinnig.', blz. 387. 'De wet echter is goed tot opbouwing, indien men haar op de juiste wijze gebruikt, aangezien haar einddoel de liefde is, die voortkomt uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof.', blz. 398. Het lijkt wel of Augustinus soms uit een verlicht hart en soms vanuit een hart vol duisternis spreekt.

'Zolang iemand dus zijn best doet om in de heilige schriften datgene te verstaan wat de schrijver ermee bedoeld heeft, kan men zich afvragen wat er voor kwaad in steekt, als hij datgene zou denken, wat hem door u, licht van alle waarheid-ziende geesten, als waarheid getoond wordt, zelfs al is dat niet de bedoeling geweest van de door hem gelezen schrijver, aangezien ook die schrijver waarheid bedoeld heeft, zij het dan ook niet deze.', blz. 398 – 399. 'En daarom, Heer, moeten wij ook zo beven voor uw oordelen: uw waarheid behoort namelijk niet mij toe, noch deze of gene andere mens, maar ons allen, die gij gezamenlijk oproept om deel aan haar te hebben, terwijl gij ons dreigend vermaant haar niet als persoonlijk eigendom te willen hebben, om niet van haar onteigend te worden. Elkeen immers die zich persoonlijk toeëigent wat gij aan allen te genieten biedt, en die wat allen behoort tot het zijne wil maken, wordt uit het gemeenschappelijke weggedreven naar wat hem eigen is, dat wil zeggen: uit de waarheid naar de leugen. Want wie leugen spreekt, hij spreekt uit eigen wezen.', blz. 406. Wederom een schrijven dat een ander licht werpt op de oorsprong van de katholieke kerk dan wat ik ervan meegekregen heb. Hier spreekt een kerkvader, die zegt dat verschillende gelovigen verschillende interpretaties van de Bijbel kunnen hebben, zolang ze er maar vanuit gaan, dat wat er in de Bijbel staat de waarheid is. Maar tegelijkertijd staat hier, dat een persoonlijke waarheid niet kan bestaan. Wie de waarheid denkt te bezitten, liegt. Anders gezegd: wie luistert naar het licht en zijn woorden daardoor laat leiden, spreekt de waarheid, die God hem geeft. Wie spreekt uit zijn eigen wezen, spreekt uit de duisternis van het niets, de afgrond van de aarde. Waarheid kan enkel gehoord worden door te luisteren (naar God). 'En nu moet u toch wel zien, hoe onverstandig het is om, bij een zo groot aantal onbetwijfelbare ware gedachten die uit die woorden opgediept kunnen worden, zonder afdoende redenen daaronder die gedachte aan te wijzen, die Mozes bij voorkeur gehad zou moeten hebben, en dan door rampzalig geredetwist juist die liefde te kwetsen, die om wier wille dat alles gezegd is door de man, wiens woorden wij trachten uit te leggen.',blz. 407.

In zijn tijd werd er beter gedebatteerd. Bij de volgende zinnen dacht ik onwillekeurig aan Hans van Mierlo “'Als God dit dan eerst heeft gemaakt, wat heeft Hij dan vervolgens nog gemaakt?' En dat volgende zal hij dan na de algehele schepping niet meer kunnen vinden, zodat hij tot zijn ongenoegen te horen zal krijgen: 'Hoe moeten we dat “eerst” verstaan, als er niets meer na komt?'”, blz. 412.

'Wat mij betreft – het is mijn persoonlijke overtuiging die ik hier onbeschroomd uitspreek – ik zou beslist, wanneer ik iets moest schrijven dat het allerhoogste gezag had, het liever zo schrijven, dat in mijn woorden alles doorklonk wat men over dat onderwerp maar aan waarheid kon achterhalen, dan dat ik één enkele ware gedachte al te scherp deed uitkomen, met het gevolg dat ik andere opvattingen zou uitsluiten, waarin mij toch geen onwaarheid kon stoten.', blz. 415. Het opvallende aan deze zin vind ik de vanzelfsprekendheid waarmee over waarheid gesproken kan worden. Dat is teloor gegaan. Verder dat waarheid niet per se binnen een uitspraak hoeft te staan en dat waarheid zich pas kan onthullen doordat meerdere mensen hun licht erover laten schijnen.
Een persoon kan derhalve geen perfecte waarheid verkondigen, want waarheid kan niet gevangen worden in één uitspraak. Er zijn meer interpretaties van hetzelfde nodig om de waarheid of betekenis van iets te kunnen duiden. Waarheid van iets is samengesteld uit meerdere delen en toch een geheel. Het is het mysterie van het Woord dat zonder begin en eind is. Hoe is dat in de menselijke taal uit te drukken? Elk perspectief, elke menselijke benadering van de waarheid is per definitie te beperkt om het geheel uit te kunnen drukken. Waarheid vanuit dit licht bezien maakt het oninteressant om wereldlijke kennis op te doen. Dat is dan je tevreden stellen met een onwaarheid, die niet het vermogen heeft enige waarheid te onthullen.
Tegenwoordig wordt de waarheid van een uitspraak op haar individuele verschijnen beoordeeld. Dit is waar of niet, het is logisch of niet. Het is te weerleggen of niet. Keer op keer blijkt deze interpretatie van waarheid spaak te lopen, omdat telkenmale blijkt dat dat wat gezegd wordt, zich niet laat vangen in woorden of zinnen. Tegelijkertijd met logica is er een relativisme ontstaan, dat elke poging tot waarheid ontkent. Het zijn twee uitersten van hetzelfde, namelijk dat elke uitspraak op zich staat en op zich beoordeelt dient te worden. Vervolgens verdwijnt elk zicht op een waarheid als sneeuw voor de zon.
Niet dat het leven onmogelijk wordt te leven zonder dat er waarheid aanwezig is, alleen, het begrip maakt het leven zoveel simpeler. Ik vind het zo logisch om te denken, omdat ik er zo vaak stilzwijgend vanuit ga. Als ik bijvoorbeeld een kamer uitga, dan ga ik zonder er verder bij stil te staan door de deuropening. Absoluut, niet relatief. En zo zijn er honderden, duizenden zaken, waar subjectiviteit van de waarneming geen rol speelt. Dat je een subjectieve waarneming hebt, wil niet zeggen dat je geen objectief bestaan waarneemt. En al kan je deze niet bevatten of uitdrukken, dan nog kan je er wel zeker van zijn dat deze bestaat. Dat is voor mij de basis van het waarheidsbegrip. En daarom begrijp ik Augustinus als hij zegt, dat er meerdere mensen voor nodig zijn om inzicht te verkrijgen en dat het onmogelijk is dat één persoon deze waarheid exclusief kan hebben en verkondigen. Ben benieuwd wat ze in de katholieke kerk hiervan vinden, want de Paus schijnt onfeilbaar te zijn?

Augustinus beseft heel goed wat de consequenties van zijn gedachtes zijn: 'En tenslotte, Heer, die God zijt en geen vlees en bloed, indien de mens Mozes iets eens minder scherp gezien heeft, kon dan soms ook voor uw goede Geest, die mij geleiden zal naar het rechte land, iets verborgen blijven van datgene wat gij in die woorden aan de latere lezers zoudt gaan openbaren? Was dat mogelijk, zelfs al heeft de man, door wiens mond ze gezegd zijn, misschien maar één van de vele met de waarheid strokende bedoelingen gedacht?', blz. 415. Zijn laatste woorden van dit hoofdstuk: 'Sta mij toe, daarbij van mijn belijdenis te mogen verwachten, dat ik bij het weergeven van de bedoelingen van uw dienaar – daar behoor ik namelijk naar te streven – dat juist en goed mag doen. Slaag ik daar echter niet in, dan vertrouw ik toch nog datgene te mogen zeggen wat uw waarheid mij door zijn woorden heeft willen zeggen, uw waarheid die ook aan hem gezegd heeft wat zij heeft willen zeggen.', blz. 416. Ik vind dit prachtig oprecht van deze ambitieuze man met zijn scherpe, onverbiddelijke geest.