Waar vind ik God?

Dit is het eerste van vier hoofdstukken waarin Augustinus de inhoud van zijn geloof openbaart. 'Ik zal mijzelf dus mededelen aan die soort mensen, aan wie gij mij beveelt dienstbaar te zijn, en ik zal nu geen mededelingen doen over de mens die ik geweest ben, maar over degenen die ik al ben en nog ben, zonder dat ik echter oordeel over mijzelf. Moge ik dan aldus gehoor vinden.', blz. 289. Het laatste is hem al 1500 jaren gelukt.

In deze vier hoofdstukken beantwoordt hij op vier wezenlijke thema's een kernvraag. De thema's en kernvragen zijn:

ThemaKernvraag
de gelovigeHoe kan God gevonden worden?
GodHoe kan God onveranderlijk zijn en toch verandering teweeg brengen?
Jezus ChristusHoe is het Woord te duiden? Goddelijke wijsheid versus menselijke waarheden.
Heilige GeestHoe kan men de vrucht van God herkennen?

In dit hoofdstuk begint Augustinus met de vraag waar God te vinden is? Een eenvoudige vraag, waar makkelijk aan voorbij gegaan kan worden hoe moeilijk deze te beantwoorden is. Hij vraagt het aan de aarde en aan de hemel en de sterren, aan de diepe zee aan de dieren en andere wezens en van allen krijgt hij het antwoord, dat zij God niet zijn, maar dat God hen gemaakt heeft: “Want de waarheid is het die tot mij zegt: 'Noch hemel en aarde is uw God, noch al wat lichaam is'. Dat zegt hun natuur aan wie ze ziet: het is een massa die in haar deel kleiner is dan in haar geheel”, blz. 292. De mededeling over het zien van de natuur keert later terug. Hij komt voor de plaats waar God gevonden dient te worden bij het innerlijk van de mens en specifieker bij het niet-lichamelijke gedeelte, dat is het geheugen en de geest. Maar daar aangekomen komt hij allerlei vreemde bespiegelingen tegen: 'Groot is dat vermogen dat mijn geheugen is, geweldig groot, mijn God! Een weidse, onbegrensde ruimte is het! Wie is er tot op zijn grond gekomen? En dit vermogen is een vermogen van mijn geest en behoort tot mijn natuur, en ikzelf vat niet alles wat ik ben. De geest is dus te beperkt om zichzelf te vatten. Maar waar zou het dan zijn, datgene wat hij van zelfzelf niet vat? Zou het dan soms buiten hem zijn en niet in hem? Hoe komt het dan dat hij het niet vat? Verbazing bevangt mij daarover, diepe verbazing; verbijstering grijpt mij aan.
En dan gaan de mensen er op uit om met verbazing te kijken naar hoge bergtoppen, naar de machtige golven van de zee, naar de brede stromen van de rivieren, die wijdheid van de oceaan en de banen van de gesternten, maar voor zichzelf hebben ze geen aandacht en het maakt hun verbazing niet gaande, dat ik bij het noemen van al deze dingen ze niet met mijn ogen zag, ...'
, blz. 296. Anti-reclame voor het bureau voor Toerisme, mooie omschrijving van het geheugen-geest probleem.

Linkje naar Spinoza:
'Maar zie, uit mijn geheugen haal ik het toch te voorschijn, wanneer ik zeg dat er vier gemoedsaandoeningen zijn: begeerte, vreugde, vrees en droefheid.', blz. 302. Spinoza maakte onderscheid tussen vreugde, droefheid en begeerte en hij had het speciaal over vrees zijnde een afgeleide emotie. En nog een zin van de retoricus Augustinus: 'En al zijn al die tegenwerpingen bezijden de waarheid, het is toch niet onwaar dat ik ze mij herinner', blz. 300. Als tegenstander in het debat word je op zo´n moment toch even ingepakt? Flitst het door je hoofd 'ja, hij heeft gelijk'. Als politici dergelijke zinnen in het debat zouden gebruiken, dan zou het weer een genoegen zijn om een debat te volgen.

Het geheugen laat Augustinus nog vaker verbazen: 'Ik ben het, ik die mij herinner, ik de geest. Het is niet zo verwonderlijk, wanneer allerlei wat ik niet ben mij verre ligt; wat is mij echter nader dan ikzelf? En zie, het vermogen van mijn eigen geheugen wordt door mijzelf niet begrepen, terwijl ik toch mijzelf niet zou kunnen noemen zonder dat geheugen! Want wat zal ik nou moeten zeggen, nu het toch immers voor mij vaststaat dat ik mij het vergeten herinner? Moet ik zeggen dat iets wat ik mij herinner niet in mijn geheugen is? Of moet ik zeggen dat het vergeten in mijn geheugen is om te maken dat ik niet vergeet? Het is allebei volkomen onzinnig! En nu de derde mogelijkheid: hoe kan ik beweren dat, wanneer ik mij het vergeten herinner, door mijn geheugen het beeld van het vergeten wordt vastgehouden en niet het vergeten zelf? Hoe kan ik ook dat beweren?', blz. 305. Als dit in een preek in de kerk besproken werd, dan had ik beter geluisterd.
'Groot is dat vermogen, dat mijn geheugen is: het is op de een of andere manier iets huiveringwekkends, mijn God, die diepe, onbegrensde veelvoudigheid! En dat geheugen is mijn geest, ben ik Zelf! Wat ben ik dan, mijn God? Wat ben ik voor wezen?', blz. 306. 'Ook aan het geheugen zal ik voorbijgaan om u te vinden ... om u wáár te vinden, o gij waarlijk goede, o gij onbedreigde zoetheid, om u wáár te vinden? Vind ik u buiten mijn geheugen, dan herinner ik mij u niet. En hoe kan ik u nog vinden, als ik mij u niet herinner?', blz. 307. Zodra hij op zoek gaat naar God, dan weet hij haar niet te vinden. 'Op welke wijze zoek ik dus naar u, Heer? Want wanneer ik naar u, mijn God, zoek, dan zoek ik het gelukkige leven. Ik wil u zoeken om te maken dat mijn ziel leeft; want mijn lichaam leeft van mijn ziel, mijn ziel van u. Hoe zoek ik dus het gelukkige leven?', blz. 309.
Het lijkt bijna een deus ex machina waar Augustinus God vindt: 'Waar heb ik u dus gevonden, zodat ik u leerde kennen? Want alvorens ik u leerde kennen waart gij nog niet in mijn geheugen. Waar heb ik u dus gevonden, zodat ik u leerde kennen? Waar anders dan in u, boven mij? En daar is geen sprake van een plaats; en wij verwijderen ons en komen naderbij en van een plaats is geen sprake. Waarheid, overal zijt gij gezeten voor allen die u raadplegen, en aan allen tegelijk geeft gij antwoord, ook al raadplegen ze u over verschillende dingen', blz. 316, maar is exact het tegenovergestelde. Door eerste de lezer helemaal mee te slepen in de verwondering van het kennen en in te laten zien, dat God daar nergens gevonden kan worden, krijgt de lezer veel dieper inzicht aangeboden wat het inhoudt dat God alomtegenwoordig is.

In het volgende hoofdstuk gaat hij veel dieper op de kern van dit antwoord in, hier volstaat hij met te zeggen dat God onafhankelijk van het geheugen bestaat en eraan vooraf gaat. God is allesomvattend en overal tegenwoordig. Alles wat plaats- en tijdgebonden is, dient ooit in het geheugen te komen, maar dat wat overal en buiten de tijd is, dat is het enige dat iemand kan kennen zonder bemiddeling van het geheugen. Voor Augustinus is dit een antwoord, maar in feite is het een Godsbewijs, omdat hij hier laat zien dat God het enige is dat gekend kan worden zonder dat er kennis van genomen behoeft te worden. Tegelijkertijd is het een sterk staaltje van lateraal denken, want hij liep compleet vast in zijn zoektocht naar God zolang hij God trachtte te vinden op dezelfde wijze als alles wat tijdelijk bestaat. Om God te kunnen vinden en te leren kennen dient het kijken en het kennen omgedraaid te worden: 'Uw beste dienaar is diegene die er niet zozeer naar uitziet om van u te horen wat hij zelf heeft gewild, maar die er eerder op bedacht is te willen wat hij van u gehoord heeft.', blz. 316. Deze laatste zin keert op meerdere manieren terug in de geloofsbelijdenis van Augustinus. Al eerder had hij het over het juk en de smaad, over nederigheid en gehoorzaamheid aan Gods wetten, vlak hierna doet hij er met een van hem bekend geworden zin nog een schepje bovenop. Die zin kan veel weerstand oproepen, maar dat lijkt mij ook de bedoeling van die zin, waardoor de lezer de mate van onvoorwaardelijkheid van de eigen overgave kan ervaren: 'Geef wat gij beveelt en beveel wat gij wilt.', blz. 317.

Deze laatste zin herhaalt hij nog een keer, als hij meer zicht geeft op het waarom van de onthouding: 'Door de onthouding worden wij namelijk bijeengebracht en teruggebracht naar het Ene, dat wij hebben verlaten om tot de vele dingen te vervallen. Wie immers naast u iets liefheeft dat hij niet om uwentwil liefheeft, heeft u te weinig lief. O liefde, die altijd brandt en nimmer dooft, o liefde, mijn God, steek mij in brand! Beveel mij de onthouding! Geef wat gij beveelt en beveel wat gij wilt!', blz. 318. Zo krijgt deze zin de diepere betekenis de weg vrij te maken voor de eeuwige vreugde in plaats van tijdelijke geneugten. Het tweede gedeelte van de zin 'en beveel wat gij wilt' drukt ten eerste overgave uit, maar ook vertrouwen in wie het beter weet: hij die beperkt is door een eindig verstand, of hij die onbeperkt is met een oneindig verstand? Hoe kan Augustinus zich anders richten? 'Dat is zo mijn eigen indruk; misschien vergis ik me: één van de dingen immers, waarover ik mij te beklagen heb, is de duisternis, waarin mijn eigen, in mij wonende mogelijkheden voor mijzelf verborgen zijn. Dientengevolge meent mijn geest, wanneer hij zichzelf ondervraagt over zijn eigen krachten, niet gemakkelijk geloof te moeten schenken aan zichzelf, omdat hetgeen in hem is veelal verholen blijft, in het niet door ervaring aan het licht wordt gebracht en om dat daarenboven in dit aardse leven, dat één-en-al beproeving wordt genoemd, niemand zich verzekerd mag voelen, dat wie van slechter beter heeft kunnen worden niet ook van beter slechter worden kan. Eén hoop, één vertrouwen, één vaststaande belofte is er maar: uw barmhartigheid!', blz. 323-324.

Opvallend is dat Augustinus twee soorten licht onderscheidt: het aardse licht, dat een krachtige bron van verleiding vol schone, wisselende vromen en mooie, stralende kleuren is en een andersoortig licht. Een aantal bijbelse vaders konden dit waarnemen. Augustinus noemt het 'het eigenlijke licht, het ene, en één zijn ook allen die dat licht zien en het liefhebben.', blz. 327. Volgens mij heeft hij het hier over prana. Ik wist niet dat die kennis onderdeel was van de katholieke leer, maar het verklaart wel waarom heiligen met een goudkleurige halo omgeven worden.

De figuurlijke interpretatie van 'waar kan ik God vinden?' gaat over de houding, die de gelovige aan dient te nemen. Enkel met een bepaalde instelling kan God gevonden worden. Augustinus is daarin – waarin eigenlijk niet? - heel categorisch: alles wat niet direct gericht is op God doet er niet toe. Nu keurt hij wetenschap, wat begeerte naar kennis is, af. In feite keurt hij alles af, wat hem afleidt van God. Er zijn vele afleidingen en vaak is het hemzelf niet direct duidelijk dat hij zich 'teveel' laat gaan. 'Maar in dit genoegen van mijn vlees, waardoor wij de geest niet dienen te laten ontkrachten, heb ik herhaaldelijk geen erg: dan vergezelt de zintuiglijke gewaarwording de rede niet zo, dat ze geduldig op de tweede plaats blijft, maar omdat ze louter ter wille van de rede heeft mogen binnenkomen, gaat ze ook nog proberen voorop te lopen en de leiding te nemen.', blz. 324 – 325. Elke keer als de lichamelijke wereld, het hier en nu zijn in deze wereld, de leiding neemt, dan begaat Augustinus in zijn ogen een zonde. In zijn genietingen richt hij zich op de eeuwige vreugde in plaats van de bederfelijke vreugde. Het is dus niet zo, dat hij genieten afkeurt. Hij keurt elk genieten af, dat hem afwendt van God. Dat is niet altijd eenduidig: 'Het komt ook wel voor, dat ik juist voor die ongemerkte beïnvloeding overmatig beducht ben en mij dan te buiten ga aan overdreven strengheid.', blz. 325 en 'Zo schommel ik heen en weer tussen het gevaar voor de zinnelijke lust en de ervaring van de heilzame werking. En eigenlijk hel ik er toe over – zonder nu een onherroepelijke uitspraak te willen doen – de gewoonte van het zingen in de kerk goed te keuren: door de streling van de oren kan dan een zwakkere geest opwaarts stijgen tot een vrome stemming.', blz. 325.

Augustinus onderscheidt drie soorten begeerte, te weten de vleselijke lust (daden), de overmatige weetzucht (woord) en de begeerte om door mensen bemind en gevreesd te worden, geprezen en gelaakt (wil). God beveelt in alledrie de vormen onthouding. De eerste is het makkelijkste om te controleren en daarmee te ontwikkelen. De tweede is al lastiger, de derde bijna onmogelijk. 'Maar moeten we nu, om van lovende woorden verstoken te blijven en te ervaren, hoe ver onze kracht op dit punt reikt, slecht gaan leven? Moeten we zo verdroven en onmogelijk gaan leven, dat wij verafschuwd worden door letterlijk iedereen dien ons kent?', blz. 334. Er waren Hindoeïstische monniken, die deze praktijk daadwerkelijk uitvoerden. 'Gij hebt ons namelijk niet alleen onthouding geboden – met andere woorden: gezegd waar wij onze liefde aan moeten onthouden – maar ook gerechtigheid – met andere woorden: gezegd waar wij die liefde op moeten richten – en gij hebt niet alleen gewild dat gij zelf door ons bemind werdt, maar ook onze naaste door ons bemind willen zien.', blz. 335.

Gericht zijn op God lijkt eenvoudiger dan het is. 'Hier zijn kan ik en wil ik niet, ginds zijn wil ik en kan ik niet, ongelukkig ben ik zowel hier als ginds. En daarom heb ik de ziekten van mijn zonden bezien, veroorzaakt door de drievoudige begeerlijkheid, en ik heb uw rechterhand ingeroepen om mij te genezen. ... Gij zijt de waarheid, die boven alles zetelt. Ik echter heb in mijn hebzucht u niet willen verliezen, maar samen met u de leugen willen bezitten, zoals geen mens op een zodanige manier onwaarheid wil zeggen, dat hij zelf niet weet wat de waarheid is. Het gevolg is geweest dat ik u verloren heb, omdat gij u niet verwaardigt samen met de leugen bezeten te worden.', blz. 339. Ziehier waar de tegenpolen Augustinus en Nietzsche elkaar ontmoeten, want met het God is dood van de laatste gaat het niet om God zelf, maar om de wijze waarop de mens gericht is op God.

Jezus beschouwt hij als de waarachtige bemiddelaar, omdat Jezus zowel gelijkenis met de mens vertoont – door te sterven – als met God – door zijn eigen dood te niet te kunnen doen. '...Hij de enige die onder de doden vrij was, die de macht had zijn leven af te leggen en de macht had het te hernemen, Hij die ten overstaan van u voor ons de overwinnaar en het slachtoffer is geweest, en de overwinnaar omdat Hij het slachtoffer was,...', blz. 341. In Jezus komen God en mens samen en omdat mensen niet direct bij God kunnen zijn, dient een Christen de weg via Jezus te bewandelen. 'Wij hadden kunnen menen dat uw Woord ver verwijderd was van een verbinding met de mens, en wij hadden aan onszelf kunnen wanhopen, indien dat Woord niet vlees was geworden en onder ons gewoond had.', blz. 341. Nu heeft hij een richtpunt: 'Welnu, Heer, ik werp mijn zorg op u, opdat ik mag leven, en ik zal de wonderen uit uw wet beschouwen. Gij kent mijn onwetendheid en mijn zwakheid: onderricht mij en genees mij!', blz. 342 om te besluiten met met de essentie 'En zij zullen de Heer prijzen, degenen die Hem zoeken!', blz. 342.