Hij vindt zijn ware geloof in de katholieke kerk. Respect.

Bekering kent twee fases. Ten eerste de overgave aan het geloof, het volmondig ja-zeggen en ten tweede het onthullen van de inhoud van het geloof aan de nieuw-gelovige. Het doet mij denken aan een relatie. Eerst is er het enthousiasme, daarna de onthulling van de realiteit. En als de relatie zich doorzet, dan is het anders dan in het begin, maar is het je ook veel liever.

Hoofdstuk 8

is het eerste hoofdstuk van bevrijding. Wat een idee bij het bekeren naar de katholieke kerk. Daar heb ik mij nooit iets bij voor kunnen stellen. De beleving, die hij hierbij heeft, is mij vreemd. Het wordt nog vreemder, als hij op uitdagende wijze schrijft, waaraan iemand zich vrijwillig overgeeft: '- hoe diezelfde man zich niet heeft geschaamd een jongere van uw Christus te zijn, een nieuwgeboren kind van uw waterbron, en hoe hij zijn nek heeft gebogen voor het juk van de nederigheid en zijn voorhoofd heeft onderworpen om de smaad van het kruis te aanvaarden.', blz. 222. Als iemand dit schrijft, dan kan het mijn inziens niet anders of hij daagt zijn lezer uit. In ieder geval wel de moderne, von der dunkt mij. Het gaat in het Christendom om een authentieke houding van nederigheid naar God. De vleselijke kant is de nederigheid. De geestelijke kant is het zijn in de eeuwige blijdschap van God. Maar de eerste boodschap is het juk en het smaad, al is het maar om alle weerstand naar boven te halen die de banden vormen waardoor men aan het vleselijke leven gebonden is. Het lijkt erop dat Augustinus zich hier al op negentienjare leeftijd van bewust was, toen hij God verzocht 'Geef mij kuisheid en onthouding, maar doe het niet meteen!', blz. 235.
Zijn banden beschrijft hij als volgt: 'Mijn wil werd beheerst door de vijand en hij had mij daar een keten uit gesmeed en mij vastgekluisterd. Want uit verkeerdheid van de wil is de wellust ontstaan en door het dienen van de wellust de gewoonte, en bij gebrek aan weerstand tegen de gewoonte de dwingende noodzaak. En dit waren om zo te zeggen de ineengeschakelde ringen – daarom heb ik het een keten genoemd – waarmee een harde slavernij mij gekluisterd hield.', blz. 228-229. Iets verderop: 'Zo ging ik uit ervaring met mijzelf dat woord begrijpen dat ik had gelezen: over het vlees dat begeert tegen de geest en de geest tegen het vlees', blz. 229.

Terzijde zij hier opgemerkt dat Augustinus een nieuwgeboren kind hier als symbool van een nieuw begin en onschuld gebruikt, zie Ongelovige Babies.

We nemen via het lichaam voornamelijk veranderingen waar. Dit is goed waar te nemen als je een huis binnenkomt en daarbij een bepaalde geur opmerkt. Een paar minuten later is deze geur er nog steeds, maar kan je deze niet meer ruiken. Lichamelijke waarneming vindt plaats via het principe van 'wat daar of eerst nog niet was, maar nu wel'. Met dergelijke zintuigen wordt het lastig om de eeuwige vreugde van God te ervaren of zelfs over te brengen. Zodra je deze kan ervaren, neem je deze niet meer waar en kan je pas weer waarnemen als je iets anders ervaart.
'Wat heeft er dus in de ziel plaats, wanneer ze meer vreugde beleeft aan het vinden of terugkrijgen van wat haar lief is dan ze zou beleefd hebben, wanneer ze dat dierbare altijd was blijven bezitten?', blz. 223. staat tegenover 'Wat heeft dat te betekenen, Heer mijn God? Gij zelf zijt voor uzelf toch een eeuwige vreugde en rondom u zijn bepaalde wezens, die altijd verheugd zijn om u. Wat heeft het dan te betekenen, dat dit deel hier van de realiteit die wisseling vertoont van neergang en opgang, van storingen en verzoeningen?', blz. 224.
Dit is Augustinus ten voeten uit. Hij neemt waar en reflecteert zichzelf en de zijnen. Hij zal geen gemakkelijk persoon zijn geweest om te overtuigen. Dat maakt zijn bekering tot het katholicisme des te verbazingwekkender – en daarmee interessanter. Met deze vraag laat hij tevens zien wat het verschil is tussen het Goddelijke ervaren en de menselijke ervaring en wat iemand te wachten staat als hij zich weet over te geven aan het juk en de smaad. Niet meer gebonden aan het vleselijke met zijn wisselende genoegens, waarbinnen pas genoten kan worden door eerst te lijden en waarbinnen elk genoten genot reeds een prelude is op lijden, daar banden aangegaan wordt met andere sterfelijke wezens. Daarentegen is onder het juk en de smaad het eeuwige geluk van God te vinden, waar vreugde beleefd wordt op basis van het eeuwige zijn van God. Waar het Goddelijke constant gericht is op vreugde te beleven aan dat wat is, daar bereikt de menselijke ervaring deze vreugde pas na de overwinning op dat wat niet is.
Dit keert terug in het onderscheid tussen ziel, geest en lichaam – een drie-eenheid, geen dualiteit en ook geen drievuldigheid. De ziel als dat wat is en het lichaam als ultiem dat wat is en niet is, namelijk dat wat continu iets anders aan het worden is. Daar waar het lichaam voedsel tot zich neemt en dat voedsel omzet naar zichzelf, daar neemt de ziel God tot zich en transformeert zelf tot God. (Dat is bijvoorbeeld vergelijkbaar met wat Sri Aurobindo zegt.) God is het eeuwige en onveranderlijke, Hetzelfde. Wie God tot zich neemt, wordt dus als God, want God verandert niet. De geest ten slotte is de brug tussen lichaam en ziel. Zo krijg je vier eenheden:

  • God, die is enig en het onveranderlijke,
  • de ziel, er zijn meerdere zielen, allen onveranderlijk in de tijd,
  • de geest is identiek binnen de tijd waarin het samengaat met het lichaam en ten slotte
  • het lichaam, dat is elk moment verschillend, nooit hetzelfde.

Het juk en de smaad helpt de geest zich los te maken van het lichaam en zich te richten op de ziel en daarmee voorzover mogelijk op God.

Hoofdstuk 9

Er zijn drie bronnen van zonde, namelijk die van de daden (lichaam), het woord(geest) en de wil(ziel). In hoofdstuk 10 benoemt Augustinus drie bronnen van begeerte en die komen hier mee overeen. Wat het Hebreeuwse woord voor zonde is, weet ik niet. Maar als je even op zoek gaat naar de achtergrond bij dit woord wordt er meteen verwezen naar het Griekse woord voor zonde en dat betekent 'doel missen'. Dat is een stuk minder beladen woord en biedt zelfs een vorm van troost. Een zondig leven leiden is dan een leven leiden, waarbij je afgeleid wordt van waar het om gaat. Zondig is dan niet slecht, enkel doelloos, ongericht. De volgende zin leest heel anders, als zondig gezien wordt als slecht of als doelloos: 'Wat is er niet kwaad geweest aan mijn daden of, zo niet aan mijn daden, dan toch aan mijn woorden of, zo niet aan mijn woorden, dan toch aan mijn wil?', blz. 251.

Aan het begin van dit hoofdstuk heeft hij een aantal regels van psalm 4 aangehaald. Deze opende hem de ogen. Ik heb nog wat andere psalmen bekeken, om een indruk te krijgen waar deze gedichten over gaan en kwam daarbij ook bij de eerste psalm. Deze begint met 'Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in den raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters.' uit Psalm 1 uit de Statenvertaling. Wederom dezelfde driedeling.

Regelmatig schiet Augustinus eerst de ene kant op en dan de compleet andere. Hier spreekt hij vol verlangen over wat hij anderen wil laten zien: “Ach, als zij hun ontbering eens beu werden en zeiden: 'Wie zal ons de goede dingen tonen?' Dan zouden wij zeggen en zij zouden het horen: 'Getekend is op ons het licht van uw aangezicht, o Heer.' Want wij zijn niet het licht dat iedere mens verlicht, maar wij worden verlicht door u, zodat wij, die eens duisternis waren, licht zijn in u. Ach, als zij het innerlijke eeuwige eens zagen!”, blz. 259. (Daar is weer het licht, dat schijnt vanuit het innerlijk.) Een pagina verder blijkt Augustinus zelf nog niet zo standvastig in het licht te kunnen verkeren: 'En ik las maar en stond in vuur en vlam, en ik kon niet vinden wat ik moest doen voor die dove doden, waar ik zelf toe behoord had, ik wanwezen, bittere, blinde blaffer tegen boeken die zoet zijn van helmelse honing en stralend helder van uw licht. En over de vijanden van die Schrift verging ik van ergernis.', blz. 260. Deze passage komt als heel eerlijk en oprecht op mij over. Is het gezegde 'roomser dan de paus' van na zijn tijd?

'Maar wat ik niet ben vergeten en niet zal verzwijgen is de scherpte van uw gesel en de wonderbaarlijke snelheid van uw erbarmen.', blz. 260 – 261. Hij beschrijft hoe hij van een kiespijn is afgekomen. Niet door hierzelf toe te bidden, want dat vind hij streng verboden, maar door anderen te vragen voor hem te bidden. De pijn verdween meteen. 'En diep in mij werden mij uw wenken duidelijk en mij verheugend in het geloof prees ik uw naam', blz. 261. Later beschrijft hij hoe hij en zijn moeder elkaar toevertrouwden dat deze wereld met al haar genoegens voor hen waardeloos was geworden. Het is een van zijn laatste gesprekken met zijn moeder. Vlak erna sterft zij en vertelt hij van zijn dubbele houding: 'Mijn moeders sterven was echter niet deerniswekkend en zij stierf ook niet algeheel. Dat was onze overtuiging, gewaarborgd door haar levenswandel en berustend op een niet gefantaseerd geloof en stellige argumenten van de rede.', blz. 276. Niets menselijks is hem vreemd, hij wordt toch verscheurd door verdriet. Dit verdriet doet hem weer verdriet. 'En omdat het mij heftig mishaagde, dat ik zo onderhevig was aan deze menselijke aandoeningen, die zich volgens de gestelde orde en de omstandigheden van onze staat noodzakelijkerwijze voordoen, daarom was ik met een ander verdriet verdrietig om mijn verdriet en werd ik door dubbele droefenis verscheurd.', blz. 277. Later laat hij deze dubbelheid varen: 'En ik liet de tranen gaan die ik had ingehouden – ze konden stromen zoveel als ze wilden – en ik spreidde die tranen als een legerstede voor mijn hart, en het vond er zijn rust in, omdat daar uw oren waren, niet die van een of andere mens die over mijn geschrei zijn hoogmoedig oordeel gaf.', blz. 279. De wereld beleven vanuit het zelf wordt zwaar afgekeurd. Je mag niet bidden voor jezelf – wel anderen laten bidden voor jou –, niet verdriet hebben bij verlies, niet ontkennen dat je schuld hebt, je gaves niet waarderen als behorend bij jezelf, maar eren als gaves van God. 'Wordt vertoornd en zondigt niet.', blz. 259. Maar al te grote gestrengheid past hem niet. Als hij consequent zou zijn, zou hij voor zijn moeder even streng moeten zijn als over manicheeërs, maar dat krijgt hij – gelukkig maar - niet voor elkaar. 'Laat de barmhartigheid zegevieren over het oordeel, omdat uw woorden waar zijn en gij aan de barmhartigen barmhartigheid hebt beloofd.', blz. 280. Uiteindelijk is God zelf ook niet streng: 'En wee ook over een loffelijk mensenleven, indien gij het zonder barmhartigheid zoudt onderzoeken! Aangezien gij echter onze misslagen beslist niet met bitse strengheid nagaat, hopen wij met vertrouwen op een plaats bij u.',blz. 279.