Max Stirner, egoïst

Friedrich Nietzsche is beschuldigd van plagiaat. Hij zou leunen op de filosofie van Max Stirner. Dat is sindsdien altijd een onopgelost probleem gebleven. In hoeverre kende Nietzsche het werk van Max Stirner en in hoeverre is hij door hem beïnvloed? Nieuwsgierig geworden ben ik op zoek gegaan naar het hoofdwerk van Max Stirner (Het eigene en het eigendom) en heb dat gelezen. De vraag van plagiaat is voor mij een onbelangrijke vraag. Ik heb vooraf niet het vermogen om deze te beantwoorden en zolang na de dood van beide heren vind ik het niet meer van belang. Beide filosofen hebben mijn inziens hun eigen plaats verworven.

Max Stirner is hartstochtelijk egoïst. In alles ziet hij het egoïsme terugkeren. Hij start met het voorbeeld van God. God wilt dat de mensen zich richten op Hem, dat mensen zich moeten richten op het lieflijke en het waarlijke en dat God Liefde en de Waarheid is. Ofte wel: God wil dat we ons volledig op Hem richten, dat we zijn zuiver egoïstische zaak dienen. Zo redeneert Stirner ook over de mensheid, het volk, de staat, de gelijkheid, vrijheid, gerechtigd etc.. Alles en iedereen is enkel gemotiveerd door het 'ik' van zichzelf, is volledig gericht op verwezenlijking van het eigenbelang. Je kan God dienen, de mensheid dienen, je verdient je loon, je kan strijden voor het volk of de vrijheid. Je kan jezelf overleveren aan iets. Iets anders, een geest, een spook. Iets anders dan het 'ik'. Het zijn allemaal doelen die losstaan van het 'ik' en daarmee intrinsiek het 'ik' ontkennen, willen overheersen. Als je God niet dient, ben je een egoïst, als je de mensheid niet dient, dan ben je een egoïst, als je de vrijheid niet dient, dan ben je een egoïst. Hoe je het ook wendt of keert, elk extern doel, elke externe absractie staat vijandig tegenover het 'ik', dat zijn eigen lot en leven in handen wil nemen. Elke keer dat jij als mens iets wilt doen, dat niet in overeenstemming is met een overheersende wil of algemene abstractie, ben jij de egoïst.

God, de maatschappij en de staat, alles dat wat een 'ik' overstijgt, alles dat hoger aan ik is, dat stelt eisen aan het individu. Door eisen te stellen aan het 'ik' laat het het 'ik' van zichzelf vervreemden. Recht spreken is in zijn ogen per definitie krom praten: wie de macht heeft, heeft het recht. Recht toewijzen heeft niet te maken met rechtvaardigheid, maar met loyaliteit. Wie loyaal is aan de staat of de maatschappij krijgt het recht toegewezen, net zoals het eigendom toegewezen krijgt. Het individu bezit niets. Het geheel, zij het de religieuze gemeente of de staat of maatschappij bezitten alles. Ten alle tijde kunnen zij het 'ik' het recht op eigendom ontnemen. Wat het 'ik' eigendom noemt in de huidige maatschappij is niet meer dan verleend gebruiksrecht. De staat bezit alles en kan alles herpakken, het 'ik' onteigenen wanneer het wil. Recht en eigendom worden toegekend in de mate van loyaliteit die men naar de grootste aanwezige macht heeft. Daarom is elk recht dat een 'ik' opgelegd wordt 'vreemd' recht. Het ontneemt het 'ik' het recht op zelfbeschikking. Dit is een vorm van vervreemding.
Een andere vorm van vervreemding is het stabiliteitsprincipe: dat is dat er iets belangrijkers bestaat dan het 'ik' zoals daar zijn onaantastbare heiligdommen en eeuwige waarheden. Deze zaken zijn belangrijker dan het individu. Deze zaken zorgen ervoor dat mensen over hetzelfde denken. Begrippen als vrijheid of God zijn onderwerpen. Al duizenden jaren lang. Wat zegt Stirner als ik het andersdenken op het spits drijf door er helemaal niets meer over te denken. Het enige, dat ik dan over God te zeggen heb is: God. Daarmeer verpletter je het onderwerp. (vrij naar pag. 235)

Mensen worden bezeten door ideeën. Het 'ik' wordt bezeten. Egoïst zijn betekent hier los van willen komen. Vrijheid voor een egoïst is loskomen van alles, waar je los van kan komen. Dat waar je niet los van kan komen, dat is je eigenheid. Vervolgens is alles wat je eigenheid is, je onvervreemdbaar eigendom.
Daarnaast stelt hij dat vrijheid inhoudt dat je ergens los van komt en gelijk staat aan zelfbeschikking, terwijl in eigendom hebben is dat hebben wat je zelf wilt. De grens aan vrijheid is de eigenheid, want dat is waar je nooit los van kan komen. Die eigenheid is waar de rest van de wereld af dient te blijven. Het enige recht dat hij voor het 'ik' erkent is het eigen recht.

God was de eerste leidraad voor de mens. Daarna werd dat het menselijke, daarna de mens en nu komt Stirner die stelt dat het 'ik' leidraad zou moeten zijn. Het 'ik' is de echte schepper. Er is geen andere schepper dan het 'ik'. Om te zeggen dat God schept of de mens of de mensheid, dat zijn allemaal beweringen van een 'ik'. Aan elke algemene uitspraak gaat een 'ik' vooraf en zij drukt een egoïstisch belang uit. Niemand zal ooit iets beweren wat tegen zijn eigenbelang ingaat.
Het 'ik' van Stirner is gedachtenloos en gaat als zodanig vooraf aan elke gedachte. Vandaar dat hij elke gedachte, die als doel van een religie, staat of humanisme geformuleerd wordt, ziet als een beperking van de vrijheid van het 'ik'. Gedachtevrijheid bestaat pas als het 'ik' de meester van de gedachte is, dat wil zeggen kan loslaten en veranderen op elk gewenst moment naar eigen willekeur. Op dat moment worden de gedachten mijn eigendom en heers ik over hen. Zij niet over mij. Vrij denken gaat derhalve niet over de inhoud van de gedachte, maar over de band met de gedachte. Zolang ik de gedachte los kan laten, wanneer het mij belieft, dan ben ik vrij van de gedachte. Stirner geeft als voorbeeld de spijsverteringsvrijheid. Wie denkt daar aan? Zo is ook de gedachtevrijheid.
Het is niet toevallig dat Stirner het woord spijsverteringsvrijheid gebruikt. Hij vindt dat het 'ik' het leven verteert of gebruikt. Verteren is een heel belangrijk principe, daar het de vergankelijkheid van alles laat zien. Het verschil tussen God, menselijkheid, de mens en zijn 'ik' is dat de eerste drie onlijflijke gedachtes zijn, waar zijn 'ik' een persoonlijk en vergankelijk iets is. Het 'ik' is voor Stirner vergankelijkheid ten top. Hij start en eindigt het boek met de uitspraak dat hij zijn zaak op het Niets gesteld heeft. Daarmee bedoelt hij, dat hij het ik aan niets anders onderworpen laat zijn dan aan zichzelf. Het zelf is een de sterfelijke schepper van zichzelf, die alles wat het tegenkomt tot zich neemt en verbruikt. Het zelf is het onbenoembare, omdat het eeuwig verandert en door geen begrip helemaal uitgedrukt kan worden. Omdat het 'ik' op geen enkele wijze door begrippen gevangen en uitgedrukt kan worden en om te benadrukken dat het vanuit de wereld van de geest en het woord niet zichtbaar is – want voorafgaat aan deze wereld: het 'ik' is niets.

Stirner legt niet diepgaand uit hoe hij zich een samenleving van egoïstische zielen voorstelt. In een religieuze gemeente of de samenleving heerst één gedachte over de verschillende ikken; hij stelt zich een vereniging voor, waarin ikken samenkomen. Elk 'ik' is daarin vrij mee te doen, maar er niet aan gebonden. Hij zegt het niet met zoveel woorden, maar ik begrijp eruit dat de vereniging zich ten dienste stelt van elk individu. Elk 'ik' is onvervreemdbaar vrij. Vanuit de vereniging kan geen dwang uitgeoefend worden op het 'ik'. Dat is zelf te egoïstisch om zich daar iets van aan te trekken, maar begrijpt wel zijn eigenbelang in het meedoen met de vereniging.
Daardoor kan hij zeggen dat, omdat er niets boven het 'ik' gaat, dat aan geen gedachten of moraal gebonden is, dat willekeur en brutaliteit moeten kunnen overheersen. Dat het hem niets uitmaakt tot welke theorie zijn handelen behoort. Het is zijn handelen, voortkomend uit zijn 'ik', dat voorafgaat aan alle gedachtes en dat het leven geniet door het te verbruiken. Er kan geen andere moraal voor een 'ik' gelden dan de gewenste zelfbeschikking van dat 'ik' op dat moment. Je kan iemand niet aan zijn woord houden, want elk 'ik' is door niets anders gehouden dan aan zichzelf. Op iemand anders bouwen of vertrouwen lukt niet, dat is een idée fixe. Daarmee tracht je de ander te bepalen. Dat gaat je niet lukken, want die is zelf egoïstisch en wil jou vanuit zijn eigenbelangen bepalen. Daardoor is het een oorlog van allen tegen allen. Er zijn verliezers en overwinnaars, heersers en dienaren, zij die macht uitoefenen en zij die te slikken hebben. Geweld, willekeur en brutaliteit zijn normaal. Als je iets wil, dan heb je daar macht voor nodig. Zonder macht heb je niets te willen. Hoe hij dit samen laat gaan met het zich verenigen werkt hij niet uit. Een paar citaten, alle cursiveringen zijn overgenomen uit de oorspronkelijke tekst. Dat is de vertaling van Widukind de Ridder.

De harde vuist van de zedelijkheid gaat heel onbarmhartig om met het edele wezen van het egoïsme. (pag. 47).

In onderstaand citaat spreekt hij in gedachten tegen een liberaal die in zijn ogen niet geïnteresseerd is in de persoon van de mens, maar in vrijheid voor eenieder, dat is in vrijheid voor de mens:
Dit lijfelijke ik met zijn gedachten, besluiten en hartstochten is in jouw ogen een “privé-zaak”, die jou niets aangaat, is een “zaak op zich”. Als een “zaak voor jou” bestaat alleen maar mijn begrip, het soortbegrip, alleen de mens die als hij Jan heet, even goed Peter of Michel zou kunnen zijn. Blz. 126

Men praat zoveel over aangeboren rechten en klaagt: Van het recht dat met ons geboren is, is helaas geen sprake. Wat voor een recht is dan met mij geboren? Blz. 138

Gerechtigd of niet-gerechtigd — daar komt het voor mijzelf niet op aan; ben ik alleen maar machtig, dan ben ik al vanzelf gemachtigd en hoef geen andere machtiging of berechtiging. Recht is een schroef afkomstig van een spook; macht dat ben ikzelf, ik ben de machtige en eigenaar van de macht. (blz. 150)

Zijn mening over Sokrates, die niet wegvluchtte voor de dood:
Dat hij zich aan de macht, waar hij alleen maar onder kon bezwijken, als aan een “recht” onderwierp, was een verraad aan zichzelf; het was deugd. (blz. 153).

Het juiste echter is dat ik ze niet beschouw als een handeling die volgens mij juist of volgens mij onjuist is, voor mij vijandig of vriendelijk d.w.z. dat ik die als mijn eigendom behandel, dat ik verzorg of vernietig. “Misdaad” of “ziekte” zijn beide geen egoïstische opvatting van de zaak d.w.z. geen beoordeling van mijzelf uit, maar vanuit iets anders namelijk, óf het recht, het algemene óf de gezondheid, deels van de enkeling (van de zieke), deels van het algemene (de maatschappij), kwetst. blz. 170

Hoe moet men echter het leven gebruiken? Doordat men het gebruikt; zoals het licht dat men verbruikt als men het brandt. Men gebruikt het leven en daarom zichzelf, de levende, indien het en zichzelf verteert. Levensgenot is het leven verbruiken. Blz. 223 (In de vertaling is het woord men weggevallen. De voorlaatste zin behoort te zijn: Men gebruikt het leven en daarom zichzelf, de levende, indien men het en zichzelf verteert. Als je het en zichzelf tussen haakjes denkt als dat wat door het ik tesamen verteert wordt, dan ontstaat een logische zin. Ik heb het citaat wel gebruikt, omdat ik het een heel duidelijke uitdrukking vindt hoe Stirner het verteringsproces ziet. Juist dat samen verteren van voedsel en zichzelf.)

Wat een mens is, haalt hij uit de dingen; “zoals jij de wereld beschouwt, zo kijkt de wereld naar jou”. Hier kan men meteen de wijze raad uit halen: je moet haar alleen maar “juist en onbevangen”, enz. bekijken. blz. 234

Komt het er op aan zich verstaanbaar te maken en mee te delen, dan kan ik in feite alleen maar van menselijke middelen gebruik maken die mij, omdat ik tevens mens ben, ter beschikking staan. En werkelijk heb ik alleen maar als mens gedachten, als ik ben ik tegelijkertijd gedachteloos. blz. 241

Eigenaar ben ik van mijn macht en ik ben dat omdat ik me van mijn enigheid bewust ben. In de enige keert de eigenaar zelf terug in zijn scheppend niets, waaruit hij geboren werd. Elk hoger wezen boven mij, of het God of de mens is, verzwakt het gevoel van mijn enigheid en verbleekt pas voor de zon van dat bewustzijn. Stel ik op mij, de enige, mijn zaak, dan staat ze op het vergankelijke, de sterfelijke schepper van zichzelf, die zichzelf verteert en ik mag zeggen: Ik heb mijn zaak op niets gesteld. blz. 255
Deze voorgaande zin is de afsluitende zin van het boek. Gevoel voor drama kan hem niet ontzegd worden.

Het boek zelf vind ik niet lezenswaardig. Het eerste gedeelte is vol ironie geschreven, waardoor het voor mij vaak totaal onduidelijk was wie aan het woord was en wat hij nu zelf meende of dat dat spot was. Het verhelderende nawoord van Widukind de Ridder vond ik heel overtuigend en liet mij geloven dat het merendeel spot was. Ik heb het hele gedeelte niet serieus genomen en feitelijk links laten liggen in mijn bespreking. Stirner schrijft in het einde van deel 1 dat dat gedeelte ontstaan is als een verzameling fragmenten, die naderhand aan elkaar gevoegd zijn. Zo vermoeiend vind ik het ook lezen. Hij heeft niet de moeite genomen om het de lezer gemakkelijk te maken. Maar ja, je bent per slot van rekening egoïst.